Text Size

Elementen van revolutie en contrarevolutie in nieuwe explosieve wereldorde

Van 8 tot en met 10 december hield LSP (onze Belgische zusterorganisatie) een nationaal congres. Dit vijftiende congres werd voorbereid aan de hand van een perspectieventekst die in alle afdelingen werd besproken en vervolgens de leidraad voor de discussies op het congres vormde. Een perspectieventekst is voor ons een werkmiddel, een overzicht van analyses om onze inzichten en voorstellen te verfijnen.

In het voorjaar van 2017 publiceerden we een tekst over nieuwe linkse formaties naar aanleiding van de doorbraak van de PVDA in ons land. Het maakt dat er in de tekst die in de zomer en het najaar van 2017 werd geschreven minder aandacht hiervoor is. Om een vollediger beeld te hebben, lijkt het ons nuttig om de tekst over nieuwe linkse formaties samen met de perspectieventekst in het congresboek te plaatsen.

Beide teksten zijn geschreven door Eric Byl en eerst besproken op het Uitvoerend Bureau, het Nationaal Comité en vervolgens in de afdelingen. Er is rekening gehouden met opmerkingen en er zijn voorstellen door verschillende leden in verwerkt. In die zin is de tekst een collectief instrument van LSP.

Elke tekst heeft een deadline terwijl de ontwikkelingen doorlopen. Enkele feitelijke elementen in de tekst zijn onvermijdelijk reeds achterhaald nog voor ze gepubliceerd zijn. Voor de verdere dagelijkse opvolging van de actualiteit en onze analyses ervan verwijzen we naar socialisme.be.

 

 

Midden januari zijn de teksten van
het LSP-congres in boekvorm beschikbaar.
Dit boek telt 104 pagina’s
en zal 7 euro kosten.


Inleiding – explosieve situatie op wereldvlak

In de congrestekst van 2012 benadrukten we het structurele karakter van de kapitalistische crisis, in die van 2015 dat het kapitalisme is uitgeleefd. De resolutie van het nationaal comité voor de regionale congressen van 2016 had het over een periode van groeiende instabiliteit. Vandaag is ‘explosief’ de enige kwalificatie die beantwoordt aan de toestand waarin het kapitalisme zich wereldwijd bevindt!

Er is nog steeds geen bestand in zicht voor de militaire conflicten in Syrië, Irak en Jemen. Regionale uitbreiding is een groeiende mogelijkheid. In Israël/Palestina, Libië, Noordoost Nigeria, Somalië, Zuid-Soedan, de Centraal-Afrikaanse Republiek, de regio van De Grote Meren, Afghanistan en Oost-Pakistan en Oekraïne kunnen de conflicten op ieder moment terug oplaaien. In Kenia, Congo Kinshasa, Venezuela en elders is een sluimerende burgeroorlog aan de gang. Toch wil Trump de VS meeslepen in een opbod met het Noord-Koreaanse regime. Door het karakter van dat regime zou een militair conflict er snel ontaarden in een algehele oorlog. Door haar beschikking over nucleaire capaciteit, de kwetsbaarheid van Zuid-Korea en de nabijheid van grootmachten als China, Japan en zelfs Rusland zouden de gevolgen ervan veel verder reiken dan alle andere oorlogen samen. Alsof dat niet volstond, verkondigde Trump bijna in een adem dat hij een militaire optie voor Venezuela niet uitsloot, een open uitnodiging voor al wie bereid is tot een coup.

‘Onze beste bondgenoot dreigt een vijand te worden. Dat gevaar kan je niet onderschatten’ is het citaat van een Franse intellectueel dat De standaard in januari 2017 boven een artikel ‘is Europa klaar voor Trumps’ nieuwe wereldorde’ plaatste.(1) Zo ver is het nog niet, maar de open steun van Trump aan de Brexit en zijn uitgesproken wens dat andere landen zouden volgen, zijn vrijage met Poetin, Orban en de Visegradgroep(2), met Erdogan en andere autoritaire leiders, is voor Europa een enorme gamechanger. Uiteindelijk heeft Trump het solidariteitsbeginsel van de NAVO herbevestigd, maar overtuigend was dat niet. Diens eenzijdig opzeggen van het klimaatakkoord en zijn eigenwijze protectionistische politiek, doet in Europa dagen dat het de eigen boontjes moet doppen. Men spreekt nu van een ‘Kohl’-moment inzake Europese defensie. (3) Er is zelfs een permanente structurele samenwerking inzake defensie afgesproken met een Europees fonds voor de aankoop van wapens en eigen ontwikkeling en onderzoek. Een heuse Europese defensie ter vervanging van de nationale troepenmachten is echter uitgesloten, daarvoor zijn de interne tegenstellingen tussen de lidstaten te groot. Een uiteenrafelend Europa aan verschillende snelheden wordt nu openlijk besproken en zelfs in de kern is de solidariteit ver te zoeken als we zien hoe Italië op een kordaat “neen” stoot op haar vraag om hulp voor de opvang van bootvluchtelingen.

Grootschalige militaire conflicten, ecologische catastrofes, sociale explosies, … De vraag is niet of ze er komen, maar wanneer. Dat zou allemaal beheersbaar blijven bij economische voorspoed, maar wereldwijde stagnatie is het beste wat het kapitalisme in aanbod heeft. Ondanks de talloze herstructureringen, overnames en fusies van de voorbije periode blijft de productiviteitsgroei overal ver onder de lange termijn trend. Het bedrag aan studieschulden in de VS is nu groter dan de markt van rommelhypotheken was voor haar implosie in 2008. Ondanks de lage werkloosheidsgraad zijn er al afbetalingsmoeilijkheden op private schulden en bovendien is een groot deel ervan verpakt in risico-obligaties. De zogenaamde groeilanden, hoofdzakelijk grondstoffenleveranciers, zijn uitermate kwetsbaar voor een groeivertraging vooral van China. Een te sterk optrekken van de rentevoeten in de VS zou bovendien die landen hun kapitaaltoevoer afsnijden, de bedrijfsschulden ondraaglijk maken en een golf van faillissementen inluiden. De Europese economie drijft op het soepele monetaire beleid van de ECB, maar de productiviteitsgroei blijft er ondermaats. Vooral in Italië, Griekenland en Portugal stapelen banken de slechte leningen op. De Chinese economie draaide de voorbije jaren op enorme investeringen in infrastructuur en het opbouwen van overcapaciteit in de industrie. De totale schuld van bedrijven en overheden is er opgelopen tot een onhoudbare 277% van het BBP. Schaduwbankieren is een groeiende tijdbom, goed voor 29% van de wereldwijde financiële reserves.(4)

Het kapitalisme is sinds de Grote Recessie van 2007-2008 een nieuwe fase ingetreden met belangrijke gevolgen voor de wereldrelaties. De VS is nog wel veruit de sterkste imperialistische macht, maar haar neergang is ingezet. Het Chinese imperialisme is in opmars en het Russische is er ondanks haar economische zwakheid in geslaagd het Westers imperialisme zowel in de Oekraïne als in Syrië te verassen. De nieuwe fase van het kapitalisme heeft ook een enorme impact op de klassenverhoudingen met elementen van revolutie en contrarevolutie. In de VS wordt dat weerspiegeld door de enorme polarisatie tussen aanhangers van Trump en van Sanders. De massale mobilisaties voor Sanders vertegenwoordigen een historisch keerpunt. In veel landen, niet alleen in de VS, verliest het meest vooruitziende deel van de kapitalisten de controle over haar politieke vertegenwoordigers. Dat maakt de situatie zo onvoorspelbaar en explosief.

Naast manifeste elementen van contrarevolutie zien we ook belangrijke elementen van revolutie, zij het onder een nieuwe, nog verwarde vorm, nog getekend door de val van het stalinisme. Met 30 algemene stakingen, de opkomst en het verraad van Syriza, is Griekenland het meest duidelijke voorbeeld. De massale beweging van de Indignados in Spanje verwierp aanvankelijk de hele idee om zich politiek te organiseren, maar het effect van het aantreden van de PP op het bewustzijn van de massa’s leidde tot de doorbraak van Podemos. Veel van die nieuwe linkse formaties hebben een radicaal populistisch programma. Hierin ligt het belang van Corbyn. Als eerste hanteerde hij een eerder klassiek reformistisch programma in de jongste verkiezingen (2017), het was nog lang niet vergelijkbaar met dat van de jaren ‘80, maar na decennia van neoliberalisme klonk het voor de nieuwe generaties als revolutionair. Dat maakt allemaal deel uit van de heropbouw die aan snelheid en omvang wint van de arbeidersbeweging. De rol van het CWI daarin blijft niet beperkt tot commentaar, maar bestaat uit actieve deelname.

Ook in België vliegen alle zekerheden de deur uit. De illusie die de vakbondsleiders koesterden, dat de regering Michel I in 2019 electoraal afgestraft zou worden waarna de situatie zich zou ‘normaliseren’ met een centrumlinkse regering, is door de recentste peilingen weggeveegd. Dat hebben de vakbondsleiders hoofdzakelijk aan zichzelf te danken. In plaats van zich te baseren op de kracht van de arbeidersbeweging, stelden ze alle hoop in hun traditionele politieke partners. Maar aangezien het succes van de N-VA vooral te wijten is aan de frustraties over hun begeleidde afbraak, zijn die ‘partners’ slecht geplaatst om de N-VA terug te dringen. Dat vereist een andere kracht, die zich wel baseert op de eengemaakte arbeidersbeweging. De PVDA/PTB kan daarin door haar electorale doorbraak een belangrijke rol opeisen. Ook in Wallonië is de hertekening van het politieke landschap nu ingezet. Dat Lutgen zijn moment afwachtte om de CDH naar rechts te sturen, mag eigenlijk niet verbazen. De PS heeft hem met de schandalen rond Publifin en Samusocial die gelegenheid op een gouden schaaltje aangeboden. Door de vorming van een alternatieve centrumrechtse meerderheid in Wallonië komt ook de verderzetting van centrumrechts op federaal vlak dichterbij. Dat is op zich een kleine omwenteling die Michel niet te danken heeft aan de eigen sterkte, maar slechts aan de zwakte van de politieke en sociale oppositie.

Maar die overwinning wordt al meteen overschaduwd door een nog veel grotere omwenteling. Volgens een peiling afgenomen eind juni werd de PTB/PVDA in Wallonië de grootste partij en boekte ze ook in Brussel en in mindere mate in Vlaanderen forse vooruitgang. Volgens diezelfde peiling zou ze in het federale parlement de grootste fractie worden, even groot als de N-VA, met maar liefst 26 zetels. Het zijn maar peilingen, nieuwe peilingen nadat het stof wat ging liggen, temperen de verwachtingen, maar toch wijst alles erop dat de PTB/PVDA voor een historische doorbraak staat. Michel mag zich dan wel een tophervormer noemen, beweren dat hij en zijn regering jobs gecreëerd hebben en praten over een economische lente, dat is allemaal zeer fragiel.

De overgrote meerderheid van de bevolking merkt daar niets of heel weinig van en vindt dat de regering vooral de rijken en de hogere middenklasse bedient. De regering heeft het begrotingsevenwicht wel uitgesteld, maar meteen haar antisociaal zomerakkoord gelanceerd. Als bovendien een nieuwe internationale financiële crisis, het stilvallen van de groei in Europa en daarmee de export of een hogere rente op de nog steeds aanzienlijke overheidsschuld, roet in het eten gooit, kan de PTB, nu ze aan geloofwaardigheid wint, de score van de peilingen of misschien nog meer behalen. Dat zou vuurwerk geven in het parlement, de politieke debatten een andere richting uitsturen en de arbeidersbeweging een politieke stem geven tot ver buiten het parlement. Het zou ook ongetwijfeld wegen op vakbonden, waarvan de leidingen onder druk zouden komen om meer rekening te houden met de verzuchtingen aan de basis.

De wereldorde van Trump

De verkiezing van Donald Trump als president van de VS was een nachtmerrie voor de arbeidersbeweging en alle zwakkere groepen in de maatschappij, maar ook voor de burgerij in de VS en internationaal. De crisis in de republikeinse partij was al onder Obama problematisch gebleken toen aanhangers van de zogenaamde Tea-party met hun weigering om de verhoging van het schuldenplafond goed te keuren, heel het land dreigden te verlammen. Maar dat een openlijk racistische, seksistische, homofobe miljardair met een populistisch anti-establishment verhaal heel het republikeinse partijapparaat, inclusief de vertegenwoordigers van de Tea-party letterlijk zou overrompelen, toont pas in hoeverre die partij onbetrouwbaar is geworden, ook als beheerder van het kapitalisme. De onderliggende reden voor die crisis moeten niet gezocht worden bij de republikeinse partij zelf, maar in de maatschappelijke polarisatie, in de wijdverspreide afkeer voor heel het politiek, economisch en sociaal systeem dat enkel ongelijkheid produceert en reproduceert.

De ondemocratische selectieprocedure van de democratische partij voor het bepalen van haar presidentskandidaat hield nog wel stand tegen de stormloop van Sanders-aanhangers, maar zowel het Democratische establishment, Clinton als de anti-establishment kandidaat Sanders zelf, onderschatten de maatschappelijke afkeer voor het establishment. Ze dachten dat een onafhankelijke kandidatuur van Sanders, zoals Socialist Alternative bepleitte, vooral Clinton stemmen zou kosten. Maar de overgrote meerderheid van Sanders-aanhangers zou sowieso nooit voor Clinton stemmen, terwijl de afwezigheid van Sanders Trump wel de kans bood zich op te werpen als enige niet geheel kansloze anti-establishment kandidaat. Een onafhankelijke kandidatuur van Sanders had Clinton wellicht het presidentschap opgeleverd, maar vooral een unieke kans geweest voor het opzetten van een derde partij.

De nederlaag van Clinton tegen Trump werd in de massamedia verkocht als een nederlaag voor vrouwen. Met een seksist als Trump valt daar iets voor te zeggen. Men kan die redenering echter evengoed omdraaien. Was de nederlaag van Clinton niet eerder het gevolg van de nederlaag van het burgerlijk feminisme, dat in een periode van crisis enkel tot achteruitgang van de situatie van vrouwen kan leiden? Clinton was de kandidate bij uitstek van het Amerikaanse establishment. Dat liet niet alleen de volledige arbeidersbeweging opdraaien voor haar financiële en economische crisis, maar trof bovendien die groepen in de maatschappij die economisch al in de meest kwetsbare situatie zaten extra hard. Alle retoriek over “gendergelijkheid” en “postfeminisme”, van quota voor politica en carrièrevrouwen, liet miljoenen laagbetaalde vrouwen die voortdurend in onzekerheid moeten leven onverschillig. De afbouw en onderfinanciering van maatschappelijke zorg en diensten zet bovendien talloze gezinnen onder een ondraaglijke druk die meestal bij de vrouwen belandt.

Een van de aspecten van het postfeminisme was het ideologisch vergoelijken van de objectivering van het vrouwenlichaam, door het model van de sterke, zelfstandige vrouw die zich niet schaamt over haar lichaam, maar dat juist gebruikt als een wapen. De seksindustrie heeft dat handig uitgebuit, maar heel de maatschappij is ervan doordrongen. Openlijke publiciteit in ons land voor studentes – die krap bij kas zitten omdat de besparingen in onderwijs hogere studiekosten betekenen en minder sociale tegemoetkomingen – om een sugardaddy te overwegen, is daar slechts één uitdrukking van. Conservatieven misbruiken dit om een reeks verworvenheden van vrouwen opnieuw onder druk te zetten, maar aan de porno-industrie raken die hypocrieten niet. Trump en zijn openlijk seksisme hadden het effect van de zweep van de contrarevolutie, het bracht alle onderliggende frustraties naar boven en leidde tot een gigantische tegenbeweging, een bevestiging van wat we al eerder hadden gezien in massale vrouwenbewegingen in India, Latijns-Amerika, Turkije, Ierland, Polen, etc. Vrouwenrechten als onderdeel van de rechten van de arbeidersbeweging zullen een belangrijke en mobiliserende rol blijven spelen.

Trump mag dan wel beweren dat hij op de korte tijd dat hij aan zet is, ondanks de tegenwerking van de pers en de vertragingsmaneuvers van de democraten, al veel gerealiseerd heeft, feit is dat hij vooral nederlagen opliep. In de media zal men dit wijten aan de ‘check and balances’ van de Amerikaanse democratie, de ingebouwde controlemechanismen waardoor justitie, senaat en congres de presidentiële willekeur kunnen afremmen. Het klopt dat Trump op verzet stoot van delen van de heersende klasse en dat dit hem al een dozijn topbenoemingen kostte, maar veel belangrijker waren de massale mobilisaties die ervoor gezorgd hebben dat steeds meer rechters zich openlijk uitspraken tegen het inreisverbod en ertoe leidden dat nog slechts 17% van de publieke opinie achter Trumpcare stond op het ogenblik dat dit in het congres, ook door republikeinse vertegenwoordigers onder druk van hun thuisbasis, weggestemd werd. Enkele van de meest reactionaire elementen van Trumps’ binnenland politiek blijven overeind, maar in het algemeen buigt diens administratie naar een beleid dat daarom niet minder arbeidersonvriendelijk is, maar meer in lijn ligt met het Republikeins establishment en de heersende klasse.

Trump blijft echter onvoorspelbaar en staat daardoor steeds meer geïsoleerd. In de peilingen van augustus 2017 was hij teruggevallen tot 34%. Zijn weigering om extreemrechts uitdrukkelijk te veroordelen na de tragische gebeurtenis in Charlottesville, kostte hem alweer het vertrek van een reeks vooraanstaande bedrijfsleiders uit de adviesraad voor de industrie en het forum voor strategie en politiek, die Trump dan maar opdoekte. Als vooraanstaande bedrijfsleiders en de meeste Republikeinse leiders zich proberen zich te distantiëren van alt-right groepen, dan is het omdat ze begrijpen welke enorme tegenbeweging die kunnen opwekken, maar het is hun weinig verhulde racisme dat de groei van racistische en reactionaire ideeën heeft aangemoedigd. Decennialang voerden beide grote partijen een beleid van ‘harde aanpak van criminaliteit’, versterking van islamofobie onder het mom van ‘antiterrorisme’ en een escalerend beleid van deportatie van migranten. Obama is nog steeds recordhouder inzake deportaties in Californië, een staat waar de democraten belangrijke meerderheden hebben. Alles samen heeft dit een racistisch klimaat versterkt waarvan Trump en ook extreemrechts gebruik konden maken.

Het is echter vooral inzake buitenlandpolitiek dat Trump een bocht heeft genomen, zijn isolationistische politiek laat varen en zich profileert als sterke man die er niet naar omziet om de Amerikaanse militaire macht in te zetten. De raketaanval op een luchtmachtbasis van Assad die ook door Rusland gebruikt wordt, dan het droppen van de moeder van alle bommen in Afghanistan, vooral het opbod met Kim Jong-un en de dreiging naar Venezuela, illustreren dat. Officieel was het bombarderen van de Syrische luchtmachtbasis Shayrat bij Homs begin april 2017 een Amerikaanse vergelding voor het inzetten van gifgas door de troepen van Assad enkele dagen eerder in Khan Sheikhoun. Dat was de aanleiding, maar de raketaanval diende vooral andere doelstellingen.

Trump, en recent ook Macron, breken met het beleid van hun voorgangers door te erkennen dat Assad deel uitmaakt van een oplossing voor de regio, alhoewel Trump dat voor de Verenigde Naties alweer ontkende. Assad tracht met de hulp van zijn bondgenoten, Rusland, Hezbollah, Iran en Iraakse Iran-gezinde sjiitische milities zoveel mogelijk terrein te bezetten voor het post-IS tijdperk, ook aan de grens met Irak om een zekere legitimiteit te kunnen opeisen voor heel het land. De raketaanval diende als waarschuwing om niet in te gaan tegen de Amerikaanse belangen en die van haar bondgenoten, zeker in de bodemrijke valleien van de Eufraat. Het was tegelijk een verwittiging aan Iran dat liefst een rechtstreekse corridor van Teheran tot Libanon zou installeren, en ook aan Rusland en China om te tonen dat de VS de leidende imperialistische macht is en niet zal twijfelen die macht ook in te zetten. Tenslotte wil Trump de Amerikaanse publieke opinie tonen dat hij breekt met het getreuzel van Obama inzake Syrië en doortastend optreedt.

De strijdende partijen pacifiëren en een stabiele machtsdeling instellen in Syrië, Irak en bij uitbreiding heel het Midden-Oosten is vandaag verderaf dan ooit tevoren. Ooit koesterde het Westen de hoop dat het regime van Erdogan als voorbeeld zou kunnen dienen voor een moderne en gematigde moslimdemocratie die er bovendien in zou slagen de invloed van de Koerdische Arbeiderspartij PKK terug te dringen en een voorbeeld zou worden voor heel de regio. De militaire overwinningen van de Syrische Koerden, de verkiezingsoverwinning in 2015 van de HDP (5), het stilvallen van de economische groei, dan de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016 gevolgd door enorme repressie en het instellen van een permanente staat van beleg per referendum over een presidentiële dictatuur, hebben die illusies gekelderd. Wat zal de VS doen als een machtsdeling moet onderhandeld worden in het post-IS tijdperk? De Koerdische YPG (6) was de ruggengraat van de rebellen waarop het zich steunde in de strijd tegen IS. De YPG zal minstens autonomie eisen, maar net als de Iraakse Koerden die het destijds op aansturen van het imperialisme opnamen tegen Saddam Hoessein, opgeofferd worden aan de relaties met Turkije. Het is niet uitgesloten dat de YPG dan zelf het initiatief in handen neemt en/of toenadering zoekt tot Assad. Een gedeeltelijke bezetting van Syrië door Turkije is dan niet langer uitgesloten.

Bovendien hielden de Iraakse Koerden op 25 september 2017 een referendum over volledige onafhankelijkheid omdat ze “geen deel willen uitmaken van de strijd tussen soennieten en sjiieten.” Daarbij stemde 92,7% voor onafhankelijkheid bij een opkomst van meer dan 72%. Ook dat wordt een patstelling voor het Westers imperialisme. Deze nieuwe staat erkennen zou de relaties met Turkije ernstig schaden, het sjiitische marionettenregime van Bagdad wellicht doen bezwijken onder enorme druk van pro-Iraanse milities en het uiteenvallen van Irak op etnisch en religieuze basis formaliseren, hetgeen de machtsverdeling in heel de regio dooreen zou schudden. De indirecte strijd tussen Iran en Saoedi-Arabië die nu aan de gang is in Jemen zou zich kunnen uitbreiden naar Iraaks grondgebied. Bovendien zijn de soennitische regimes met de hulp van Trumps’ voortvarendheid zelf verdeeld. Qatar wordt door de andere golfstaten, vooral Saoedi-Arabië en Egypte, steun aan de Moslimbroeders, Al Jazeera en Iran verweten. Toen het nucleair akkoord tot stand kwam met de regering Rohani van Iran, stond Qatar samen met heel wat Westerse landen klaar om de Iraanse markt te exploiteren en te investeren in de ontginning van onder meer gasvelden.

Met de komst van Trump staat die deal op de helling en Saoedi-Arabië en haar bondgenoten grijpen dat, met steun van Trump, aan om die toenadering naar Iran af te straffen met een economisch en diplomatiek embargo. Na tussenkomsten van de minister van defensie James Mattis en minister van buitenlandse zaken Rex Tillerson zetten de VS in op het beëindigen van dat embargo, maar Trump blijft Iran samen met Noord-Korea en Venezuela bandietenstaten noemen en het nucleair akkoord een grote fout.

Intussen wordt de rechtse regering Netanyahu in Israël, de agent van het VS-imperialisme in het Midden-Oosten, verscheurd door corruptieschandalen. Om de aandacht van de interne problemen af te leiden, kiest die opnieuw voor confrontatie met een externe vijand. De komst van Trump is gepaard gegaan met het opvoeren van de kolonisatie op de Westelijke Jordaanoever en in Jeruzalem en het opzoeken van confrontatie over de toegangspoorten tot de Al Aqsa moskee op de Tempelberg, maar ook een buitenlands militair avontuur behoort tot de mogelijkheden. Als Iran haar dreigement uitvoert om het nucleair akkoord op te blazen uit onvrede met de nieuwe Amerikaanse sancties onder impuls van Trump, zou dat een aanleiding kunnen vormen voor Israël om de nucleaire installaties in Iran te bombarderen zoals het dat eerder deed in 1981 tegen de kernreactor Tammuz-I van Saddams’ Irak. Dat de tweets van Trump niet bijdragen tot pacificatie van de regio is overduidelijk.

Een oorlog met Noord-Korea is niet het meest waarschijnlijke. Dat zou niet kunnen zonder aanzienlijke menselijke tol in Noord-Korea, Zuid-Korea en wellicht Japan. Het zou bovendien de spanning tussen de VS, Rusland en China tot een kookpunt brengen en tenslotte zou ook het Amerikaans leger een aanzienlijk aantal slachtoffers tellen. Met zijn improvisatie over ‘vuur en woede’ deed Trump de wereld niettemin op zijn grondvesten daveren en er volgde onmiddellijk een al even stoutmoedige repliek van Kim Jong-un. China en Rusland zagen de kans schoon om op te roepen tot terughoudendheid en dat deden ook de meer intelligente strategen van de VS. Uiteindelijk is de storm gaan liggen, maar met zijn eigengereid optreden heeft Trump zowel zijn eigen positie als die van het VS imperialisme aanzienlijk verzwakt. Het vertrouwen van de bondgenoten in de regio, vooral Zuid-Korea en Japan, en tot ver erbuiten is ernstig geschaad. Rusland, China, Noord-Korea en ook Japan zullen hieruit de les trekken dat ze zich best voorbereiden op de mogelijkheid van een militaire confrontatie, de Amerikaanse strategen dat ze Trump korter aan de lijn moeten houden.

De hamvraag is echter of Trump wel aan te lijn te houden is. Het regime van Maduro in Venezuela is ernstig verzwakt. Haar politiek van massale ontslagen en het ondermijnen van arbeidsvoorwaarden om het zogenaamde patriottische, productieve gedeelte van de burgerij tegemoet te komen, faalt. De torenhoge inflatie, speculatie op voedsel, medicijnen, bouwmaterialen en machineonderdelen, enorme corruptie en een meedogenloze repressie, ook tegen linkse activisten, hebben haar sociale basis ondermijnd. Het enige wat Maduro nog recht houdt, is de enorme afkeer voor de rechtse en extreemrechtse oppositie en de steun van het leger, maar ook dat brokkelt af. Zijn verlies aan binnenlandse autoriteit werd door de hoofdzakelijk rechtse regeringen in Latijns-Amerika als voorwendsel gebruikt om hem steeds meer te isoleren. Met één zinnetje, dat er “veel opties mogelijk zijn voor Venezuela met indien noodzakelijk een militaire” heeft Trump die strategie onderuit gehaald. De bevolking van Latijns-Amerika is de talloze militaire interventies door de VS uit de vorige eeuw nog lang niet vergeten. Geen enkele regering, zelfs niet de meest rechtse, kan het zich veroorloven zich daarmee te verbinden en bijgevolg moest de ene na de andere, ook Temer van Brazilië en Macri van Argentinië, zich openlijk uitspreken tegen die optie. Voor Maduro, die al jaren waarschuwt voor een imperialistisch complot, was dat een geschenk uit de hemel.

Trump zal op zijn tellen moeten passen. Zijn populariteit is nu al lager dan die van Nixon tijdens het Watergate schandaal. Dat corrigeren door een nieuw militair avontuur zou bijna gegarandeerd op massaal verzet stuiten, in de VS, maar ook internationaal. Trumps’ isolationisme, de idee dat de VS niet langer de politieman van de wereld zou spelen, was net een belangrijk element geweest in zijn verkiezing. Ook in het binnenland is de marge van Trump niet onbeperkt. Occupy, Black Lives Matter, de Sanders campagne en de vrouwenmanifestaties tonen dat de drempel voor actie er nu flink lager ligt dan tevoren, het werd nogmaals bevestigd na het drama in Charlottesville.

Socialisme is nu al één van de populairste ideeën als alternatief systeem onder jongeren. Men verstaat er nog hoofdzakelijk gratis gezondheidszorg, sociale uitkeringen , een soort sociaaldemocratische hervormingen onder, maar dat kan snel ontwikkelen, mede afhankelijk van een bewuste interventie van revolutionaire socialisten. Een nieuwe recessie zou die ideeën ook onder bredere, meer traditioneel getinte lagen die zijn opgevoed met een afkeer voor socialisme, ingang doen vinden. Te brutale aanvallen op de verworvenheden van de arbeidersbeweging zouden ze doen ontwikkelen en radicaliseren. Al van bij zijn aantreden wordt gespeculeerd over afzetting van Trump. The Brooking Institution, een prominente denktank, beweert dat Trump slechts 6 stemmen in de senaat verwijderd zou zijn van impeachment.(7) Het establishment zal daar niet licht overgaan, het zou het presidentschap en daarmee heel het politieke establishment nog meer verzwakken, maar als haar belangen fundamenteel in gevaar komen, is zelfs dat niet geheel uitgesloten.

Europa- Grote Recessie zet tegenstellingen op scherp

Het Europese establishment zat echt niet te wachten op de komst van Trump. Het presidentschap van Obama was een stabiliserende factor geweest, die de sluimerende tegenstellingen in Europa mee hielp verzachten. Het was een aangename afwisseling op zijn voorganger GW Bush die met zijn Coalition of the Willing (voor de inval in Irak in 2003), folterpraktijken en geheime gevangenissen o.m. in Polen, die eenheid onder druk gezet had. Het Obama tijdperk verzachtte ook de onderhuidse economische competitie tussen het zogenaamde Angelsaksische model dat vooral in het VK en in Nederland beleden werd en het Rijnlandmodel waarvoor Duitsland, Frankrijk en ook België toen nog stonden. Toen Europa onder impuls van Duitsland, dat niet wou opdraaien voor de economische moeilijkheden in Zuid-Europa, tot lang na de Grote Recessie van 2007-2008 bleef doorgaan met haar politiek van interne devaluatie – besparen op sociale voorzieningen en het afbreken van loon- en arbeidsvoorwaarden om de schulden te saneren – mocht het kosteloos meegenieten van de soepele monetaire politiek en de overheidstussenkomsten onder Obama. Met de komst van Trump is het opnieuw ieder voor zich. Duitsland werd meteen na diens aantreden gewaarschuwd dat er wat moet gebeuren aan haar onaanvaardbaar handelsoverschot met de VS. Trump probeert de tegenstellingen binnen Europa niet te verzachten, maar giet openlijk en brutaal olie op het vuur.

Die onderhuidse tegenstellingen zijn sinds de Grote Recessie van 2007-2008 openlijk aan de oppervlakte gekomen. De EU moest sindsdien de ene crisissituatie na de andere beheren, de bankencrisis, de crisis van de overheidsschulden en de sociale en politieke crisissen die daarmee gepaard gingen. Vooral in het Zuiden van Europa legde de Trojka ondraaglijke besparingsmaatregelen op. Het stootte op een golf van verzet, in Griekenland met maar liefst 30 algemene stakingen. Net zoals in Italië was op den duur geen enkele traditionele politieke formatie nog in staat de wensen van de Trojka in vervulling te brengen en werd beroep gedaan op een niet verkozen zakenkabinet. Uiteindelijk leidde dat tot een gigantische verkiezingsoverwinning van Syriza, helaas gevolgd door enorm verraad. Dat is symptomatisch voor de nieuwe linkse formaties.

Ontstaan in het proces van verburgerlijking van de oude sociaal democratie dragen ze nog de erfenis mee van de verwarring waarmee de val van het stalinisme gepaard ging. Ze weerspiegelen het nieuwe tijdperk van het kapitalisme en zijn veel minder stabiel dan de sociaaldemocratie die door Lenin burgerlijke arbeiderspartijen genoemd werden. De Indignados in Spanje verwierpen het meest nadrukkelijk ieder idee van politieke organisatie. Pas nadat de PP aan de macht kwam, vertaalde dat bewustzijn zich naar Podemos. Dat was een enorme stap vooruit in de zin dat politieke organisatie nodig bevonden werd, maar tegelijk ook twee kleinere stappen achteruit omdat het zowel naar de vorm als naar het programma zeer verward was. Het heeft 100.000-en leden, maar dat is op internet, zonder actieve participatie, niet zoals de klassieke massapartijen van de arbeidersklasse, en het programma is eerder radicaal populisme dan een klassiek reformistisch programma.

De revolte tegen de besparingen heeft zich op allerlei mogelijke manieren gemanifesteerd. Het heeft nationale kwesties die lang ingeslapen waren tot leven gewekt. Die hebben het potentieel om explosieve proporties aan te nemen. De burgerij en haar politieke vertegenwoordigers dragen daarin de belangrijkste verantwoordelijkheid doordat ze regio’s tegen elkaar uitspelen om gemeenschappelijk verzet tegen hun politiek van sociale afbraak te verdelen en te verzwakken. We moeten oog hebben voor reële achterstelling en gevoelig zijn voor de nationale verzuchtingen die dat kan opwekken. We komen op tegen iedere vorm van onderdrukking, ook de nationale, en staan voor het recht van iedere natie op zelfbeschikking, ook als dat afscheiding betekent. Alleen zo kan de eenheid van de arbeidersbeweging van de onderdrukkende natie met die van de onderdrukte natie gewaarborgd worden. Lenin en de Bolsjewieken hielden rekening met de nationale gevoelens die het chauvinistische Russische Tsarenrijk had opgewekt, vandaar dat Rusland niet eens voorkwam in de naam van de in 1922 opgerichte Unie van Socialistische Sovjet Republieken (USSR). De geschiedenis heeft ons al meermaals verrast. Door wat Trotski de gecombineerde en ongelijke ontwikkeling noemde, zijn niet zelden historisch rijkere regio’s door de kapitalistische exploitatie volledig uitgeput, ingehaald en voorbij gestoken door historisch achtergestelde regio’s. Dat wil niet zeggen dat de frustraties in die nieuw ontwikkelde regio’s over hun nationale onderdrukking daarmee verdwenen zijn. Onze steun aan het recht op zelfbeschikking van de naties is niet voorbehouden voor de meest achtergestelde regio’s, maar wordt bepaald door de steun ervoor in de arbeidersbeweging en de bredere bevolking van de betreffende natie als bindmiddel om een zo groot mogelijke eenheid van heel de arbeidersbeweging te realiseren.

Het was een fout van Corbyn om het recht op zelfbeschikking in Schotland niet te ondersteunen. Zijn boodschap tegen de besparingen heeft in de verkiezingen van juni jongstleden tot een gedeeltelijk herstel van Labour in Schotland geleid, maar onvoldoende om de balans helemaal in zijn voordeel te doen omslaan. De PP-regering van de Spaanse staat heeft met steun van de PSOE en uiteraard Ciudadanos, zoals verwacht het referendum voor Catalaanse onafhankelijkheid op 1 oktober brutaal trachtten blokkeren. Dat heeft de nationale polarisatie nog versterkt en geleid tot een situatie met pré- revolutionaire kenmerken. Het leidde ook tot massale solidariteitsbetogingen met de Catalaanse bevolking elders in de Spaanse staat. Door de transfer van haar hoofdzetels naar elders in Spanje, trachten de Spaanse en de Catalaanse burgerij de burgerlijke Catalaanse regering van haar voornemen tot éénzijdige onafhankelijkheidsverklaring te doen afzien. Het lijkt erop dat die zal plooien, wat nog maar eens bevestigt dat enkel de arbeidersbeweging een oplossing kan bieden zowel voor nationale als voor sociale onderdrukking. Unidos Podemos moet ophouden met ijveren voor onderhandelingen tussen Rajoy en Puigdemont, een onderhandeld referendum etc. maar integendeel bouwen aan een éénheidsfront van arbeidersorganisaties om tot een Catalaanse republiek met een linkse regering te komen als eerste stap naar een beweging in heel de Spaanse staat om de PP-regering ten val te brengen.

Wij ondersteunen het recht op zelfbeschikking van Catalonië, inclusief afscheiding, weliswaar met gegarandeerde rechten voor de minderheden en niet zonder dat systematisch te verbinden aan de nood om te breken met het kapitalisme. Schotland en Catalonië zijn op dit ogenblik de brandpunten van de nationale kwestie in Europa. De oproep van het Europees establishment om de Spaanse grondwet te respecteren is ingegeven door de vrees dat ook elders de nationale kwestie zal opflakkeren. Kleinburgerlijke nationalisten uit de rijkere regio’s grijpen de verdeel- en heerspolitiek van de nationale regeringen aan om de bijdrage van hun regio aan het nationale beleid te betwisten, om de illusie te voeden dat de arbeiders van hun natie beter af zouden zijn zonder de ballast van de armere regio’s en zoals in het geval van de N-VA om de eigen natie te misbruiken als hefboom om de arbeidersbeweging elders in het land te dwingen tot nog zwaardere besparingen. Dat is waar we ons onderscheiden van linkse nationalisten. Voor hen is de sociale kwestie ondergeschikt aan de nationale, terwijl onze steun aan de nationale verzuchtingen ophoudt waar die omslaat in revanchisme en haat tegenover de arbeidersklasse van de onderdrukkende natie.

Euroscepticisme neemt toe

Het besparingsbeleid ondermijnt de steun voor de Europese Unie. Officieel was dat een project voor vrede en vooruitgang door samenwerking, maar het wordt steeds meer gezien voor wat het echt is: een politiek keurslijf voor deregulering, privatisering, liberalisering en sociale afbraak. De EU was fundamenteel een akkoord tussen de verschillende kapitalistische klassen van Europa om een zo groot mogelijke markt te creëren onder toezicht van de Europese Commissie en nationale regeringen minder vatbaar te maken voor druk vanuit de arbeidersbeweging. Voor de financiële crisis losbarstte, stond nog 62% van de Vlamingen positief tegenover de EU, dat daalde naar 50% in het recessiejaar 2009 en zou intussen teruggelopen zijn tot 39%.(8) In verschillende Europese landen kenden Euro sceptische partijen zoals UKIP of de Vijfsterrenbeweging, of partijen die Euro sceptische standpunten verdedigen, zoals het FN of de PVV van Wilders, belangrijke electorale successen. Het Brexit referendum in juni 2016 was een keerpunt. Het is uitgedraaid op een plebisciet tegen de regering Cameron én de EU. In essentie werd het door de armste lagen aangegrepen voor een massale revolte tegen de EU en de elite. Er waren zeker elementen van racisme aanwezig, maar die werden versterkt doordat Corbyn zijn standpunt tegen de EU niet publiek verdedigde om de Blairisten niet voor het hoofd te stoten, daardoor werd de Brexit campagne overgeleverd aan rechtse populisten.

Voor de Britse en de Europese elite was de uitkomst echter een catastrofe. Het betekende met onmiddellijke ingang het ontslag van Cameron die een diep verdeelde partij nalaat, verscheurd tussen voorstanders van een harde Brexit en diegenen die de positie vertegenwoordigen van de meerderheid van de kapitalisten in het VK die eigenlijk geen Brexit willen, en voor een zo zacht mogelijke Brexit zijn. De poging van Theresa May om haar positie te versterken met vervroegde verkiezingen in juni 2017 werd een zoveelste blunder en het enige dat haar nu nog op de been houdt, is de schrik voor een Corbyn-regering. Er doen al geruchten de ronde over de mogelijke vorming van een centrumpartij met delen van Labour, de Tories en de Liberal Democrats en betrokkenheid van vertegenwoordigers van de SNP en de Welsh-nationalistische partij Plaid Cymru. Dat is wellicht nog niet voor morgen, maar zit ingebakken in de situatie. Corbyn benadrukte terecht dat een Brexit niet kan betekenen dat het VK binnen de eengemaakte markt blijft, noch dat het deel blijft van de douane-unie, want dat zou betekenen dat het recht om handelsakkoorden af te sluiten uitsluitend bij de Europese Commissie zou liggen. Diens schaduwkanselier John Mc Donnell stelde voorts dat de relatie met Europa zo opgesteld moet worden dat Labour haar manifest kan uitvoeren. Dat manifest bevatte onder meer het afschaffen van het inschrijvingsgeld voor studenten en de nationalisatie van energie, water en spoorwegen. Het genereerde een enorm enthousiasme. Maar bij Keir Starmer, Labours’ schaduwminister voor de Brexit blijft daar niets van over, hij beweert dat Labour staat voor een zachte Brexit, waarbij het minstens nog enkele jaren binnen de eenheidsmarkt blijft mits een speciaal akkoord over immigratie en vrij verkeer van personen binnen die markt. Labour blijft twee partijen.

Wij pleiten voor een internationalistische, een socialistische Brexit, de start van de opbouw van een maatschappij die voor iedereen de voorwaarden voor een waardig leven biedt: een woning van goede kwaliteit, een degelijke job, gratis onderwijs, een uitstekende gezondheidsdienst, een waardig pensioen etc. Dat zou een baken zijn voor de 450 miljoen arbeiders en jongeren die in de eenheidsmarkt blijven om overal in Europa te strijden voor vergelijkbare eisen en de weg openen voor massaal verzet tegen het Europa van de bazen en voor een democratisch socialistische Europese confederatie. Sabotage van de burgerij binnen en buiten de EU zou socialistische maatregelen vereisen zoals de controle over de economie en het financiewezen. Geen cent voor de scheiding die slechts de kapitalistische elite van Europa zou subsidiëren; afschaffing van de nul-urencontracten, een minimumloon van 10 £ per uur voor iedereen; afschaffing van de anti-vakbondswetten en vrijheid van organisatie en stakingsrecht; voor volledige rechten voor alle EU ingezetenen in het VK en voor alle VK ingezetenen in de EU; schrapping van alle wetten die competitie garanderen, staatshulp aan banden leggen en nationalisaties verbieden; de nationalisatie van de 125 grootste bedrijven en banken die de economie domineren onder democratische publieke controle als stap in de richting van een socialistische maatschappij.

De Europese commissie kan het zich niet veroorloven om het Verenigd Koninkrijk niet te straffen teneinde andere mogelijke exit-kandidaten af te schrikken en een verdere ontmanteling van de EU tegen te gaan. Hoe bekommerd ze daarover wel is, bleek op de viering van de 60ste verjaardag van de EU op 25 maart in Rome. Daar zette Juncker In een document met 5 opties over de toekomst van de EU, de deur op een kier voor een EU aan meerdere snelheden.(9) Dat is buigen om niet te moeten barsten. Het zou al een economisch wonder vereisen om de nationale spanningen binnen de EU terug te dringen. Veel waarschijnlijker zullen die verder oplopen en op een bepaald moment leiden tot het opbreken van de euro en een diepe crisis van de Unie. Ondanks alle retoriek om Brexit te verbinden aan racisme en xenofobie, erkent de Europese Commissie impliciet dat die hoofzakelijk neerkwam op een sociale revolte tegen haar politiek van begrotingsdiscipline. Samen met een aantal nationale regeringsleiders heeft ze daarom de sociale dimensie uitgeroepen tot prioriteit van Europa. Om diezelfde reden is de nieuwe Franse president Macron een kruistocht begonnen tegen sociale dumping uit Oost-Europa. Hij is er gaan pleiten voor strengere regels voor detachering – maximaal 1 jaar i.p.v. 3 en de strijd tegen postbusbedrijven opdrijven – en het principe van gelijk loon voor gelijk werk op eenzelfde werkplaats.

Met 286.000 gedetacheerde werknemers is Frankrijk na Duitsland het land dat de meeste dergelijke werknemers, vooral uit Oost-Europa telt. Hij stoot op verzet van vooral Hongarije en Polen, wiens premier Beata Szydlo aankondigt zich tot de laatste adem te verzetten “in het belang van de Poolse arbeiders”. De geïrriteerde reactie van Macron die meteen de Poolse regering verweet op allerlei punten tegen de Europese belangen in te gaan, werd ontvangen op een laconiek “de arrogantie van Mr. Macron is misschien te wijten aan zijn gebrek aan ervaring.” Een gewogen meerderheid van Europese landen zou in principe volstaan om een akkoord op te leggen, maar dat zou de spanningen ten top drijven en het uiteenrafelen van Europa enkel bespoedigen. Als er al een compromis bereikt wordt, zal het wellicht een zwak zijn dat op allerlei mogelijke manieren omzeild zal worden. De fundamentele reden voor de oplopende spanningen in Europa is de economische stagnatie en het besparingsbeleid in combinatie met gigantische verschillen binnen een gemeenschappelijke markt die sinds de eenmaking slechts opgelopen zijn. In januari 2017 publiceerde Knack de groeiende frustraties hierover onder de titel ‘Bulgarije en Roemenië zijn slechter af dan toen ze bij de EU kwamen’. Eén cijfer onder de vele: In geen enkel Oost-Europees land met uitzondering van Slovenië bereikt het officiële minimumuurloon 3€, in Zuid-Europa en Slovenië bedraagt het tussen de 3 en 5€, terwijl het in Frankrijk, Duitsland, het VK, Ierland en de Benelux bijna 9 tot 11 € bedraagt.(10)

Migratiecrisis haalt humanitaire retoriek onderuit

Hoe moeilijk Europese solidariteit wel ligt, komt tot uiting in de reactie op de migratiegolven. Merkel trachtte aanvankelijk de morele standaard hoog te houden. “Wir schaffen das,” zei ze. Het optrekken van nieuwe grenzen, niet enkel in Oost-Europa om de Balkanroute af te sluiten, maar ook in Oostenrijk, Spanje, Frankrijk en op een bepaald ogenblik zelfs België en de Scandinavische landen en dan de groei van het rechts populistische AFD deden ook haar overstag gaan. Volgens Eurostat zou het totaal aantal asielaanvragen in de EU sedert 2010 zijn toegenomen van 259.000 naar een voorlopig hoogtepunt van 1.320.000 in 2015. Dat is nog steeds minder dan 0,3% van de bevolking van de EU, minder dan de gemiddelde jaarlijkse emigratie uit Europa – hoofdzakelijk zogenaamde gelukszoekers – tussen 1820 en 1924 naar de VS (0,5%). Het heeft uiteraard alles te maken met de aanslepende oorlogen, vooral in Syrië, maar ook Irak, Afghanistan en Jemen. De overgrote meerderheid vluchtelingen blijft naar buurlanden trekken, economische lilliputters vergeleken bij de EU, in de hoop snel terug naar huis te kunnen. Naarmate oorlogen echter aanslepen, verdwijnt het perspectief van terugkeer en groeit de aantrekkingskracht om een nieuw leven op te bouwen in een stabielere en rijkere regio. Daarbovenop komt de catastrofale economische situatie en de enorme repressie in Afrika en vreest men nu al voor een toevloed aan klimaatvluchtelingen in een niet zoverre toekomst.

Het klopt dat de aantallen in historische termen relatief beperkt blijven, dat Europa ruim voldoende rijkdom heeft om dat op te vangen en dat migranten ook bijdragen aan de economische groei, maar dat is buiten het kapitalisme gerekend. Voor wie het ongeluk heeft om met die migranten in concurrentie gesteld te worden voor een van de schaarse sociale woningen, een slechte job, of een van de talloze andere wachtlijsten, doet dat weinig ter zake. Samen met het afbouwen van sociale voorzieningen, het leegmelken van de sociale zekerheid en het vermoeden dat terroristen zich vermengen onder de vluchtelingen, zorgt dat ervoor dat rechtse populisten gemakkelijk gehoor vinden en een deel van de bevolking vreest dat het sociaal stelsel die ‘toestroom’ niet aan kan. ‘Illegale’ migratie wordt daardoor één van de belangrijkste bedreigingen voor Europa, erg genoeg om het zogenaamde spreidingsplan feitelijk te laten voor wat het is en de morele standaard te verlagen tot een duur en labiel akkoord met Erdogan, die daarmee over een krachtig wapen beschikt om de EU onder druk te zetten. Op de Italiaanse vraag voor bijstand omdat dit jaar al 85.000 migranten de dodelijke overtocht maakten, kwam een resoluut njet van Spanje en Frankrijk. Italië dreigde daarop haar havens te sluiten voor schepen die niet onder Italiaanse vlag varen of niet tot het grensagentschap Frontex behoren. Minstens één NGO-schip werd aan de ketting gelegd en andere hebben beslist niet langer uit te varen.

Daarmee komt de vermeende uitspraak van Franken, “laat ze maar verdrinken”, steeds dichterbij. Hij is ook niet langer de enige in Europa die de humanitaire reddingsoperaties van de Ngo’s als veerdiensten voor vluchtelingen voorstelt. Macron is in Libië een akkoord gaan onderhandelen tussen de internationaal erkende regering van Fayez al-Sarraj en de krijgsheer Khalifa Haktar om de strijd tegen terrorisme en mensensmokkelaars te vergemakkelijken. In ruil vraagt Haktar munitie, jeeps, drones, nachtkijkers en helikopters voor een totaal bedrag van 20 tot 25 miljard $ over 20 tot 25 jaar. Sindsdien heeft Libië zelf een zone voor het opzoeken en redden van bootvluchtelingen ingesteld waarin Ngo’s niet langer welkom zijn. De Libische kustwacht brengt de vluchtelingen terug en sluit ze op in kampen waar naar verluidt afpersing, uitbuiting en seksuele ‘diensten’ courante praktijken zijn. Ook andere krijgsheren pikken graag een graantje mee. In Sabratha, de belangrijkste smokkelhaven van Noord-Afrika, blokkeren een voormalige maffiabaas en zijn gewapende bende de vluchtelingen in de hoop op Europese subsidies. Alles samen heeft dit deze zomer de vluchtelingenstroom naar Italië doen opdrogen. De EU moest daarvoor wel elke moraliteit opzij schuiven en de vluchtelingen uitleveren aan figuren als Erdogan en allerhande krijgsheren waarvan men kan vermoeden die zij voorheen de mensensmokkel zelf in handen hadden. Wat die openlijk doen, doet de EU echter bedekt, waarom anders moest 11.11.11 in juni 2017 aan de alarmbel trekken omdat de EU met middelen voor ontwikkelingshulp “muren bouwt in de woestijn”.

Minderheidsregeringen en verkiezingsthrillers

De erosie van de autoriteit van de traditionele partijen in Europa is al langer aan de gang. Electorale doorbraken van extreemrechts en rechts populistische partijen, maar ook de opkomst van linkse partijen zoals de PRC in Italië, de SP van Nederland en andere, waren er al vanaf het einde van de jaren ’80 en doorheen de jaren ’90. In “Naar een historische doorbraak van de PVDA. Inschatting en voorstellen van LSP” van mei 2017, overlopen we de belangrijkste. Sinds de Grote Recessie is dat proces enorm versneld, in die mate dat het vormen van stabiele regeringen steeds moeilijker is geworden. Intussen moest de burgerij al in 4 EU-landen na een electorale ruk naar links het zwaktebod van minderheidsregeringen aanvaarden. In Portugal nadat de rechtse premier Coelho in 2015 zijn absolute meerderheid verloor. Coelho faalde, maar zijn centrumlinkse concurrent Costas kreeg wel een minderheidsregering op de been met steun van de Communistische Partij, de Groenen en het Links Blok, de grote verkiezingsoverwinnaar. Socialismo Revolucionario, LSP in Portugal, beaamde dit als middel om rechts te wippen, maar vond wel dat het beter niet achter gesloten deuren was onderhandeld, maar in het openbaar en gekoppeld aan massamobilisatie. Costas wordt steeds meer opgevoerd als model voor de sociaaldemocratie omdat hij zou aantonen dat een sociaal beleid combineren met respect voor de Europese begrotingsdoelstellingen wel kan. De Portugese economie pikt op, het begrotingstekort is teruggebracht tot binnen de EU-normen, de werkloosheid daalt en enkele van de ergste besparingsmaatregelen van Coelho werden teruggeschroefd. Peilingen geven aan dat een aanzienlijk deel van de bevolking Costas krediet geeft, maar de toename van het aantal stakingen en acties toont dat het meer bewuste deel de druk om sneller en verder te gaan wil opdrijven.

Het vergde twee verkiezingen, in december 2015 en in juni 2016, en een parlementaire coup in de PSOE vooraleer Premier Rajoy van Spanje de 29ste oktober 2016 het vertrouwen bijeen gesprokkeld kreeg voor zijn PP-minderheidsregering. Intussen was een poging om Pablo Iglesias aan het hoofd van Podemos in te ruilen voor Inigo Errejon, die voor het establishment meer aanvaardbaar is, mislukt. Minder dan een maand na haar aantreden, op 25 november, moest de zwakke regering haar onderwijsmaatregelen intrekken door het massale protest dat hoofdzakelijk georganiseerd werd door de studentenvakbond. Die werd opgericht en wordt nog steeds geleid door de nieuwe zusterpartij van LSP. Tenslotte werd in juni 2017 Pedro Sanchez, die eerder door de partijbaronnen buiten spel gezet was, herkozen aan het hoofd van de PSOE. In de Ierse republiek werd de campagne “keep the recovery going” van de uittredende coalitie voor de verkiezingen van februari 2016 een debacle. Labour werd van de kaart geveegd. Uiteindelijk vormde Fine Gail met enkele onafhankelijken een minderheidsregering met steun van buitenaf door Fianna Fail. De watertaks werd geschorst, maar niet zonder wraak te nemen op wie in de frontlinie van die strijd stond met het Jobstown proces. Dit proces winnen vergde een enorme inspanning van de beklaagden, van de Socialist Party/Solidarity en van het CWI, maar toonde ook dat het mogelijk is de regering te verslaan en versterkte het vertrouwen van de arbeidersbeweging. De regering heeft uiteindelijk 270 miljoen € uit de begroting voorzien ter vervanging van de watertaks en een provisie van nog eens 178 miljoen om de betaalde taks terug te betalen. Om Corbyn van de macht te houden is ook Theresa May sinds de verkiezingen van juni 2017 voortaan afhankelijk van steun van buitenaf van het ultra conservatieve en sectair protestantse DUP uit Noord-Ierland.

In Nederland, Finland, Oostenrijk en Frankrijk kon het establishment uiteindelijk opgelucht adem halen na de laatste verkiezingen. In de gemeenteraadsverkiezingen van april 2017 werden de Ware Finnen afgestraft voor hun regeringsdeelname sinds 2015. Ze vielen terug van de tweede naar de vijfde plaats. Er volgde een interne strijd en een afsplitsing die de regeringsdeelname doorzet waarbij de resterende Ware Finnen in de oppositie belandden. In Oostenrijk won de kandidaat gesteund door de Groene partij eerst in mei en dan, nadat de verkiezingen wegens onregelmatigheden moest overgedaan worden, opnieuw in december nipt de verkiezing voor Bondspresident van de kandidaat van de FPÖ. Ook naar de Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 keek het establishment met een bang hartje . Door een harde opstelling tegenover Erdogans’ campagne voor het Turks referendum kon Rutte van de VVD de schade beperken tot een verlies van 8 zetels terwijl coalitiepartner PVDA 29 van haar 38 zetels verloor. De PVV van Wilders bleef steken op een winst van 5, Groen Links (+10), D66 (+7) en CDA (+6) werden de grote overwinnaars. De SP kon niet profiteren van de neergang van de PVDA en verloor zelfs een zetel. Die uitslag vereist minstens 4 partijen om tot een meerderheid te komen. Na het afhaken van Groen Links onderhandelt VVD 6 maand na verkiezingsdatum nog steeds met D66, CDA en de ChristenUnie over een nipte meerderheid met slechts één zetel op overschot.

De Franse presidentsverkiezingen hadden een gemakkelijke zege moeten worden voor de republikeinen, wellicht in een tweede ronde met het FN, maar het werd een ware thriller met een opeenvolging van tegenvallende resultaten voor het establishment. Het begon al met de voorverkiezingen, de overwinning van François Fillon ten koste van Sarkozy en Juppé en dan de schandalen rond Fillon, gevolgd door de nederlaag van premier Valls tegen Hamon voor de PS. In de laatste weken voor de eerste ronde van 23 april 2017 zag het establishment het doembeeld opduiken van een tweede ronde met Mélenchon en Le Pen. Op het programma van Mélenchon en zijn campagne kan veel opgemerkt worden en dat deden we, maar het bood wel enorme gelegenheden tot politieke discussie. Sterke momenten zoals de minuut stilte in Marseille uit solidariteit met de bootvluchtelingen, begeesterden brede lagen die massaal aansloten bij La France Insoumise. De dynamiek rond Mélenchon werd afgebroken door de aanslag op de 20ste maar hij eindigde wel op een zucht van Macron, Le Pen en Fillon. Wat indien NPA en LO zich hadden teruggetrokken in diens voordeel? Hun uitslagen opgeteld bij Mélenchon had hem een plaats in de tweede ronde opgeleverd. Het establishment kon opgelucht adem halen na de vlotte winst van Macron tegen Le Pen, maar met een lage opkomst en veel blanco en ongeldige stemmen. Macron en zijn regering zijn sindsdien in vrije val, terwijl Mélenchon nu al erkend wordt als belangrijkste oppositieleider. De CGT heeft op 12 september een staking georganiseerd tegen de nieuwe arbeidstwet en Mélenchon en La France Insoumise hebben de 23ste betoogd tegen “de sociale coup”, wat doet vermoeden dat Mélenchon zijn oppositierol in het parlement ook op straat wil vertalen. In Frankrijk staan explosieve gebeurtenissen op de agenda die een nieuw mei ’68 voorbereiden.

Daarbij vergeleken hadden de Duitse verkiezingen van 24 september een oase van rust moeten worden. Daar leek de kwestie niet of Merkel zou aanblijven, maar met welke regeringspartner. Duitsland is de winnaar van de economische crisis, die er met een agressieve concurrentie, gebaseerd op lage lonen en het opleggen van een hard besparingsbeleid aan de rest van Europa, in geslaagd is de gevolgen van de crisis op de andere Europese landen af te schuiven. Het heeft al jaren een begrotingsoverschot en ook een overschot op de lopende rekening van rond de 8%, de staatsschuld loopt terug, de werkloosheid eveneens. Om de voedingsbodem voor het AFD, dat tot deze zomer intern sterk verdeeld leek, weg te nemen beloofde Merkel 15.000 politieagenten aan te werven en investeringen in bewakingscamera’s. Een toestroom van vluchtelingen zoals in 2015 mocht “zich niet herhalen”. Ze moest destijds onder druk van de SPD een minimumloon invoeren, maar dat is slechts 8,84 euro per uur en velen krijgen zelf dat niet. Maar Merkel was zich wel bewust dat de groei onevenwichtig is, dat 20% van de bevolking een armoederisico loopt en dat dit op termijn explosief kan worden. Daarom beloofde ze de bouw van 1,5 miljoen woningen de komende 4 jaar, het optrekken van kinderbijslag met 25€ maandelijks en de hele dag opvang van kinderen in de lagere school. De al lage werkloosheid beloofde ze met nog eens de helft te reduceren en de belastingen met 15 miljard € jaarlijks te verminderen. Uit Merkels’ mond klonk dat geloofwaardig, terwijl de SPD vooral gezien werd als ruggengraatloos. Die Linke zou het politieke debat hebben kunnen keren, maar stelde zich veel te voorzichtig op en bespaart mee in lokale coalities. Dat AFD alsnog als derde partij uit de verkiezingen kwam, terwijl de SPD een historische nederlaag leed, brengt ook in Duitsland de politieke instabiliteit een stap dichterbij. Merkel is nu verplicht een vierpartijencoalitie te onderhandelen met haar Beierse zusterpartij CSU, het liberale FDP en die Grünen. Dat wordt geen gemakkelijke klus.

Economie: zwak herstel en toenemende kwetsbaarheid

In aanloop naar de G2O top van juli 2017 publiceerde het IMF een document onder de titel “Globale vooruitzichten en beleidsuitdagingen”. Daarin bevestigde het wat al enige tijd was vastgesteld: het globale herstel zet zich door. Het wordt ondersteund door groei in de industrie, in investeringen en een sterkere wereldhandel. Het IMF waarschuwt echter dat dit niet structureel is maar cyclisch en dus snel kan verdampen. In dit stadium blijft het vooruitzicht een wereldgroei van 3,5% in 2017 en 2018, licht hoger dan de 3,1% van 2016. Het loopt echter nog ver achter op de cijfers van voor de Grote Recessie, 5% in 2006 en ook op de 4% gemiddeld tussen 2003 en 2012, ook al bevatte die periode de slump van 2007-2012.

Statistieken van de ‘Conference Board’(11) tonen aan dat na 6 à 7 magere jaren de productiviteitsgroei op wereldvlak verbetert naar 1,9%, tegen 1,3% in 2015 en 2016. Maar ook dat hinkt nog steeds ver achterop in vergelijking met voorgaande periodes: gemiddeld 2,8% tussen 1999 en 2006 en gemiddeld 2,3% tussen 2007 en 2014. Bovendien is de huidige productiviteitsgroei eveneens grotendeels cyclisch, het gevolg van massale herstructureringen, overnames en fusies in de voorbije periode, vooral in de ontwikkelde kapitalistische landen (OKL). Het niet-structurele karakter ervan wordt in de verf gezet doordat de reeds beperkte bijdrage van IT-kapitaal aan het wereld BBP (0,6%) nog afnam naar 0,5% in 2016. De jaargroei van de arbeidsproductiviteit in de OKL zou in 2017 1% bedragen, maar tussen 1999 en 2016 was dat nog 1,5% voor de Eurozone en 2,9% voor de VS met vergelijkbare cijfers voor Japan en het VK. Enkel in de groeilanden is de productiviteitsgroei belangrijker, maar opnieuw lager dan de lange termijntrend. China uitgezonderd zou die 3,3% bereiken in 2017 tegenover 4,9% gemiddeld tussen 1999 en 2006 en 5,1% gemiddeld tussen 2007 en 2014. Volgens de alternatieve cijfers van de Conference Board op de officiële cijfers zou de groei van de productiviteit in China slechts 4% bereiken in 2017 tegenover 8,1% gemiddeld tussen 1999 en 2006 en 7,8% gemiddeld tussen 2007 en 2014.

In haar G20-document waarschuwt het IMF eveneens dat het positieve nieuws gepaard gaat met toenemende kwetsbaarheid. Het is vooral bezorgd om de groei in China die hoofdzakelijk gebaseerd is op potentieel onhoudbare private en publieke schuldniveau ’s. De voorbije 10 jaar werd de groei er gestimuleerd met doping door gigantische infrastructuurwerken en steun aan de industrie. De schulden van de bedrijven zijn er bijna verdubbeld met een enorme overcapaciteit tot gevolg. Het IMF schat dat 15% van de leningen aan bedrijven risicoleningen zijn. Het gevaar voor een bankencrisis of een huizencrisis is reëel. Een brutale vertraging van de Chinese economie zou onvermijdelijk gevolgen hebben voor de wereldeconomie en in de eerste plaats de groeilanden die als leveranciers van grondstoffen vooral van China afhankelijk zijn.

China mag dan bijzonder verontrustend heten, het economisch herstel is wereldwijd gebaseerd op krediet. Op wereldvlak torsen de bedrijven, de gezinnen en de overheden een totale schuld van 217.000 miljard $, ongeveer 300% van ’s werelds BBP, voor de Grote Recessie in 2007 was dit 200%. Dat is onder andere te wijten aan de kostelijke overheidsinterventies om de financiële sector boven water te houden, aan toename van de sociale uitgaven als gevolg van de werkloosheidsgroei en aan ultra-soepel monetair beleid via historisch lage rentevoeten en ‘quantitative easing’. Dit laatste is een politiek die door de Amerikaanse FED werd gelanceerd, verder gezet werd door de Japanse Centrale Bank en die van het VK, en na jaren van weerstand ook door de Europese Centrale Bank werd aangenomen. Op korte termijn heeft dit de economie gaande gehouden, maar het heeft ook het gevaar voor nieuwe financiële crisissen vergroot.

De afbetaling van schulden zal nog lang wegen op de particuliere consumptie, private investeringen en publieke uitgaven voor diensten en infrastructuur. Lage rentevoeten verbergen niet alleen die onderliggende zwakheid, maar stimuleren eveneens risicogedrag waardoor schuldenaars kwetsbaarder worden zodra de terugbetaling de eindlimiet bereikt en geherfinancierd moet worden. Volgens de OESO zijn er een groeiend aantal niet levensvatbare bedrijven die al jaren verlies maken maar niettemin overleven dankzij de lage rente, goedkoop krediet en allerlei overheidssubsidies. Een normalisering van het rentebeleid zou hen van de kaart vegen. Dat is de waarom centrale banken nog steeds geld in de economie pompen en hun beleid slechts met de grootste voorzichtigheid verstrakken. In juni 2017 heeft de FED voor de derde keer op rij haar leidende rentevoet verhoogt naar 1 à 1,25% en mogelijk volgt nog een verhoging in december 2017. De FED hoopt zo gradueel 2% te bereiken in 2018 en 3% in 2019, nog steeds relatief laag naar historische normen. Dat is bij wijze van spreken ‘schuldafbouw’ voor centrale banken. Het is de wijze waarop de FED haar balanstotaal dat opliep van 800 miljoen $ voor de Grote Recessie tot bijna 4500 miljoen $ vandaag wil afbouwen. Door de waardepapieren en schatkistcertificaten die ze opkocht tijdens de recessie te verkopen, zal de FED de waarde ervan echter verminderen met schadelijke neveneffecten op de huizenmarkt, banken, pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Maar de FED heeft weinig keuze omdat ze ruimte moet creëren die nodig zal zijn bij een volgende crisis.

Naar een nieuwe crisis

Dat zou niet eens zo veraf kunnen zijn. Een groeiend aantal economisten waarschuwt dat de piek van de expansiefase in de VS al achter de rug is. Intussen is het totaal bedrag aan studieschulden er opgelopen tot 14.000 miljard $, 200 miljard meer dan de markt van rommelhypotheken voor die in 2007 instortte. Ondanks de lage werkloosheid, zijn er nu reeds bij 12% ervan problemen met afbetaling. Als de groei vertraagt en de werkloosheid toeneemt wordt dat een ernstig probleem, ook al omdat veel van die schulden net als de rommelhypotheken van destijds verpakt zitten in risicovolle obligaties. Voorlopig neemt de werkloosheid nog af, maar ook de werkloosheidsgraad neemt opnieuw toe voor het eerst in jaren. De gemiddelde inkomens groeien nauwelijks. De winsten in de productieve sectoren nemen af. De aandelen zijn fors overgewaardeerd tegenover de werkelijke inkomsten. De verwachting dat de belastingverminderingen die Trump beloofd had en diens plannen voor uitgaven aan infrastructuur de economie een boost zouden geven, is voorbij.

De VS-economie zal door andere gevolgd worden. De onderhandelingen over de Brexit zijn een mijnenveld. Het VK zal een slecht ofwel helemaal geen akkoord krijgen volgens Martin Wolf van de Financial Times, en dat zal een vernietigend effect hebben op de koers van de £, een opstoot van inflatie veroorzaken en de Bank of England voor een enorm dilemma plaatsen. Maar nog een referendum, schrijft Martin Wolf, zou politieke dynamiet zijn. Nog in Europa zitten de balansen van banken in Italië, Portugal en Griekenland vol leningen met meer dan 90 dagen afbetalingsachterstand. Vooral Italië is een bedreiging voor Europa omwille van de omvang van haar schuld en haar blootstelling aan 300 miljard € toxische leningen. Dat doet sommige economisten gematigd lijken als ze waarschuwen dat de centrale banken de komende twee jaar in een doodlopende straat terecht kunnen komen omdat de recessie net toeslaat op het moment dat ze hun soepele monetaire politiek herzien, waarbij centrale bankiers opnieuw verplicht kunnen zijn de rentevoeten te doen dalen om de recessie niet opnieuw te verdiepen.

Het IMF waarschuwt ook voor de impact van het terugschroeven, zoals de administratie van Trump wil, van de regelgeving voor financiële instellingen die werd ingevoerd in volle recessie. Soepeler regels voor kapitaal en liquiditeitsbuffers kunnen negatieve gevolgen hebben voor de financiële stabiliteit. Dat zou bovenop een ander belangrijk neveneffect van monetaire normalisatie in de VS komen: een ommekeer van de kapitaalstroom weg uit de groeilanden en een opwaardering van de $, waardoor vooral groeilanden met veel schulden en wiens munt aan de $ gekoppeld is onder druk zouden komen en hun reeds verzwakte groei doorkruist zou worden. Bedrijven zouden er hun schulden niet langer kunnen afbetalen met faillissementen tot gevolg en een bruuske vertraging van de investeringen. Hier zien we nog maar eens een illustratie van de verwikkelingen die politieke instabiliteit kan meebrengen.

Het spook van het protectionisme werpt haar schaduw over de wereldeconomie. De administratie van Trump dreigt de commerciële wereldorde te verstoren en de handelsrelaties te verslechteren. Dat is één van de belangrijkste bezorgdheden in het IMF-document. Protectionisme en economisch nationalisme zullen geen jobs creëren, noch inkomensgelijkheid of welvaart, maar die groeiende trend is wel het directe gevolg van het onvermogen van de ‘vrije markt’ om de levenstandaard en de algemene condities van de overgrote meerderheid te verbeteren. Vanuit het standpunt van de kapitalisten, zeker met de huidige economische verwevenheid en internationale arbeidsdeling, verergert dit slechts de bestaande verwikkelingen, maar vanuit het standpunt van de arbeiders, hoewel oppositie tegen de dictaten van internationale instellingen aanlokkelijk kan zijn, zijn protectionisme en economisch nationalisme contraproductieve illusies die leiden tot achteruitgang en verdeeldheid.

Het kapitalisme bevindt zich aan lichtsnelheid op een weg vol hindernissen met migratie- en milieucrisissen, imperialistische conflicten, de heropleving van nationale kwesties etc. Het moet dat beheren met gediscrediteerde politici en partijen. Het onvermogen van het kapitalisme om zelfs de meest dringende uitdagingen op te lossen leidt tot verdeeldheid aan de top van de maatschappij. Zelfs het IMF voelt zich gedwongen te erkennen dat de toenemende ongelijkheid niet alleen ongenoegen voedt, maar ook de houdbaarheid van groei ondermijnt. Een aantal gerenommeerde economisten pleit daarom voor helikoptergeld, de creatie van grote sommen geld die rechtstreeks verdeeld worden onder de bevolking om de economie te stimuleren. Het is onwaarschijnlijk dat dit er komt, maar zelfs dan zou het hooguit een tijdelijk effect hebben en niet volstaan om de gevolgen van twee decennia dalend aandeel van inkomens uit arbeid in het BBP van de ontwikkelde kapitalistische landen en van de groeilanden teniet te doen. De Europese Commissie pleit voorzichtig voor een expansionistische politiek van landen die over begrotingsmarge beschikken. Eigenlijk is men het erover eens dat de Eurozone loonsverhogingen nodig heeft om de particuliere consumptie aan te zwengelen. De vakbonden zeggen het, maar ook, in andere bewoordingen, het IMF, de OESO en de ECB.

Economisten staan perplex omdat ook in landen waar de werkloosheid laag is, loonstijgingen achter blijven en de inflatie laag. Dat spreekt de heersende theorie van de Philips-curve tegen, volgens die moeten werkloosheid en inflatie in tegengestelde richting evolueren, als het ene daalt, moet het andere stijgen, maar hier gebeurt net het omgekeerde. De ECB tracht dit te verklaren door wat ze het onderbenutten van de factor arbeid noemt, die wordt geschat op 15% van de actieve bevolking tegen iets meer dan 9% voor de officiële werkloosheidsgraad in de EU. In dat kader geeft zelfs ECB-voorzitter Draghi toe dat de groei van de tewerkstelling in Europa vooral van lage kwaliteit is, tijdelijk of deeltijds, maar hij hoopt dat de goede banen uiteindelijk de slechte zullen vervangen en de lonen dan zullen stijgen. Het fenomeen doet zich echter ook buiten Europa, in de VS en het VK voor. Dominique Berns van Le Soir verwijst ter vergelijking naar een ander ‘onverklaarbaar’ fenomeen dat zich voordeed in de jaren ’70, dat van stagflatie, gelijktijdige economische stagnatie en inflatie, hetgeen toen alle economische theorieën tegen sprak. Uiteindelijk kwamen toenmalige economisten ertoe dat dit het resultaat was van de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal. Ondanks de economische stagnatie slaagden de arbeiders er toen in loonsverhogingen af te dwingen die door de patroons doorgerekend werden in de verkoopprijzen. Berns wijst erop dat de verzwakking van de vakbonden, het arbeidsrecht en sociaal overleg die krachtsverhouding hebben gewijzigd, hetgeen grotere loonmatiging voor de financiële crisis en afwezigheid van loonsverhogingen vandaag verklaart.

De Duitse econoom Fels komt op zijn – zuiver economische – manier tot een vergelijkbare conclusie. Hij wijt de hardnekkig lage rente voor een deel aan groeiende ongelijkheid in het bedrijfsleven. De vijf grootste bedrijven, Facebook, Amazon, Apple, Netflix en Google, maken veel meer winst dan ze willen investeren of uitkeren aan de aandeelhouders, stelt hij. De gigantische cashvoorraad die ze daardoor opbouwen, beleggen ze in obligaties. Dat stuwt de vraag naar obligaties omhoog en drukt de rente neerwaarts. Bovendien, zegt hij, hebben de vijf superbedrijven relatief weinig personeel nodig om al die winst te genereren. Bij facebook zijn er 5,3 mensen nodig om in een kwartaal 1 miljoen $ te verdienen, bij GM zijn dat er 92,6. Het gevolg daarvan is dat de lonen een steeds kleiner aandeel vormen in de economische waardecreatie. M.a.w.: de economie wordt steeds minder afhankelijk van arbeid. De onderhandelingspositie van werknemers verzwakt. Hogere lonen afdwingen wordt moeilijker. Dat maakt de Philips-curve vlakker. De hoeveelheid inflatie die een krappe arbeidsmarkt veroorzaakt, wordt steeds kleiner en ook dat zou de rente laag houden.

Fels verricht een interessante denkoefening, maar wij houden het er liever op dat economie steeds weer politieke economie is en eenzelfde gegeven onder andere omstandigheden een verschillend resultaat oplevert. Normaal gezien zou goedkope olie, en bij uitbreiding goedkope grondstoffen, een bonus moeten opleveren voor de kapitalisten. Vandaag wordt het gezien als een destabiliserende factor, niet alleen in landen die grondstoffen exporteren. Het fenomeen waarbij alles in zijn tegengestelde omslaat en om het even welke maatregel de crisis slechts lijkt te verergeren, is karakteristiek voor een systeem dat haar capaciteit om de maatschappij te ontwikkelen heeft uitgeput.

Alleen maar een politieke keuze?

De idee dat het “zo niet hoeft te zijn, maar dat het om politieke keuzes gaat”, zoals sommigen ter linkerzijde steeds herhalen, bevat een graad van waarheid, maar enkel binnen bepaalde grenzen. Gewoon terugschakelen naar de naoorlogse groeifase is niet mogelijk. Dat was een bijzondere, uitzonderlijke situatie, het resultaat van de uitkomst van WOII: (1) het naast elkaar bestaan van twee fundamenteel tegengestelde maatschappelijke systemen en de dreiging van de arbeidersbeweging in West-Europa dwongen het imperialisme tot verregaande sociale concessies, gaande van nationalisaties over sociale zekerheid tot collectief overleg; (2) de dominantie van het VS-imperialisme, versterkt door de oorlogsinvesteringen maar zonder dezelfde massale vernietiging van infrastructuur en productiecapaciteit te ondergaan als haar belangrijkste concurrenten, zorgde ervoor dat de $ kon opgelegd worden als internationaal betaalmiddel en de douanetarieven verlaagd werden onder de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT), de voorloper van de Wereld Handels Organisatie (WHO), in ruil voor Marshall hulp; (3) de wapenwedloop tijdens de koude oorlog betekende een belangrijke injectie van publieke middelen in de economie waardoor de effecten versterkt werden van het toepassen van productietechnieken die wel al voor de oorlog bestonden, maar pas tijdens de heropbouw veralgemeend werden.

Tussen 1950 en 1975 groeiden de OKL jaarlijks gemiddeld 4,9%. In een kwarteeuw werd meer geproduceerd dan gedurende de voorgaande 75 jaar. De reële lonen in de OKL stegen tussen 1963 en 1973 met 3,5% gemiddeld per jaar, meer dan de 3,2% gemiddelde productiviteitsgroei. Op 10 jaar tijd vervijfvoudigden de Belgische lonen. De gemiddelde werkloosheidsuitkering in de OESO-landen steeg van 28% van het gemiddelde loon in 1960, naar 35% in 1974 en 43% in 1979. Belangrijke loonsverhogingen en een forse toename van openbare uitgaven, ook voor diensten en infrastructuur, waren de drijvende kracht achter nieuwe productietechnieken gericht op massaproductie. De inkomensongelijkheid smolt naar een historisch dieptepunt. Die politiek van het stimuleren van de vraag kreeg de naam Keynesianisme, maar ging veel verder dan wat Keynes zich voor de oorlog had ingebeeld. Het was niet het resultaat van slim economisch denken, maar van een specifieke objectieve situatie die ontstond na WOII. Belangrijk in de naoorlogse groei was de enorme uitbreiding van krediet en vrijhandel. Dat wekte de indruk, en in het geval van Ernest Mandel de illusie, dat het kapitalisme haar belangrijkste tegenstellingen, het privébezit van productiemiddelen (via krediet) en het bestaan van nationale staten (via vrijhandel), overwonnen had. Uiteindelijk bleek ook dit effect slechts tijdelijk, zorgde de kredietstroom voor inflatie en stootte de vrijhandel op steeds meer protectionisme.

De ontwikkeling van wetenschap en techniek is de beperkingen van het private bezit van productiemiddelen en van het bestaan van nationale staten al lang ontgroeid. Terwijl nieuwe technieken en onderzoek vrije uitwisseling van kennis en belangrijke investeringen vereisen, komt dit in conflict met de beperkingen opgelegd door competitie en private eigendom, waardoor de winstgevendheid ondermijnd wordt. In marxistische terminologie: de verandering in de organische samenstelling van het kapitaal ten voordele van vast kapitaal en ten koste van variabel kapitaal (meerwaarde producerende arbeidskracht) ondermijnt de winstvoet, die de neiging vertoont om af te nemen. Dit werd deels tegengegaan door neoliberale aanvallen op lonen, uitkeringen en sociale uitgaven. Omdat de winst van de kapitalist bovendien bestaat uit de onbetaalde arbeid of de meerwaarde die de arbeiders creëren, zijn die nooit in staat om alle goederen en diensten die ze produceren terug te kopen, terwijl de kapitalisten met onvoldoende zijn om al die productie te absorberen, voor zover ze al bereid zouden zijn om alle bucht die ze ons doen produceren voor de markt op te kopen. Dit werd gedeeltelijk omzeild met krediet, door ons vandaag al te doen uitgeven wat we morgen nog moeten verdienen. Hoe ver dat gerokken kan worden, wordt geïllustreerd met de enorme berg aan particuliere schulden, maar hier geldt het oude adagium: wie kleine schuld heeft, heeft een groot probleem, maar wie grote schulden heeft, brengt niet zichzelf, maar de bank of bij uitbreiding heel de overheid in de problemen.

 

Voetnoten

  1. De Standaard 28 januari 2017
  2. Een informele groep van 4 landen, genaamd naar de Hongaarse stad Visegrad, waar Polen, Hongarije en toen nog Tsjechoslowakije in 1991 samen kwamen om de integratie binnen de Europese Unie te versnellen. Vandaag liggen juist die landen dikwijls in conflict met de Unie over thema’s als migratie, persvrijheid en sociale dumping.
  3. Hiermee wordt verwezen naar de voormalige Duitse kanselier Helmut Kohl onder wie de eenmaking van Duitsland na de val van de muur van Berlijn gerealiseerd werd
  4. Schaduwbankieren slaat op alle activiteiten en actors die bijdragen aan de niet bancaire financiering van de economie die ontsnapt aan het oog van de banktoezichthouders. Eigenlijk is het de macro-economische uitdrukking van wat men in de micro-economie bedoelt met de uitdrukking ‘buiten balans’ en doorgaans slaat op engagementen, garanties of een andere financieringsactiviteit die niet voorkomt op de balans van een bedrijf.
  5. HDP, de Democratische Partij van Volkeren, een coalitie van 33 verenigingen en groepen en 7 linkse partijen, van gematigd links tot radicaal links, met vooral onder de Koerden een sterke aanhang. HDP is aangesloten bij de Socialistische Internationale en de Europese S&D fractie, maar kreeg wel de steun van zowel de Duitse Grünen als Die Linke, de Franse Europe Ecologie Les Verts, Parti de Gauche en PCF en het Griekse Syriza tijdens de Turkse verkiezingen van juni 2015.
  6. YPG, volksbeschermingséénheden, is de militaire tak van de Koerdische Partij voor de Democratische Unie in Syrië.
  7. Independent 18 augustus 2017
  8. De Tijd 8 april 2017 De verdamping van Europa
  9. (1) blijven aanmodderen, (2) de EU herleiden tot een vrijhandelszone, (3) een Europa met meerdere snelheden, (4) minder Europa rond enkele kerntaken en (5) meer samenwerking op alle vlakken
  10. De Standaard 5 maart 2017
  11. De Conference Board is een in 1916 opgerichte onderzoeksinstelling die wereldwijde economische datareeksen publiceert die teruggaan tot het begin van de jaren ‘50