Massale revolte tegen nationale en sociale onderdrukking in Catalonië

De afgelopen maanden waren er massale mobilisaties in Catalonië voor het recht om zelf te beslissen, voor de verdediging van het referendum over onafhankelijkheid en een Catalaanse republiek, en daarna tegen het autoritaire en repressieve tegenoffensief van de Spaanse regering. De gebeurtenissen namen enorme proporties aan en ontwikkelden aan grote snelheid. Wat in Catalonië gebeurt, heeft gevolgen voor de hele Europese Unie. In dit dossier schetst Marissa van LSP-Brussel de context van de sociale en politieke crisis rond de nationale kwestie in Catalonië en gaat ze in op enkele elementen die onderbelicht blijven in de gevestigde media.

 

Foto: Mario

Sociale en nationale kwestie zijn met elkaar verbonden

2010. De economische crisis treft de werkenden en jongeren in Catalonië en heel Spanje al enige tijd. Dit is ook het jaar dat de CiU (Convergentie en Unie, waarvan een vleugel vervolgens de liberale onafhankelijkheidspartij PDeCAT gaat vormen: de Democratische Europese Catalaanse Partij van Carles Puigdemont) opnieuw aan de macht komt in de regionale regering van Catalonië. Eerder was de partij van 1980 tot 2003 aan de macht. De regering onder leiding van Artur Mas voert een beleid dat gelijkaardig is aan dat van de conservatieve Partido Popular (PP) in de rest van de Spaanse staat: op de sociale budgetten werd 17% bespaard tussen 2010 en 2015, in het onderwijs verdwenen 15% van de middelen en in de zorg 14%. De middelen voor huisvesting werden helemaal gekortwiekt: er werd 60% wegbespaard.

De mobilisaties tegen de besparingen waren erg groot in Catalonië. Ze behoorden tot de sterkste van heel de Spaanse staat. Tijdens de algemene staking van 2012 lagen de volledige industrie en het openbaar vervoer in Catalonië plat. Er ontstonden een reeks actiegroepen en platformen ter verdediging van de openbare diensten. Het is in Catalonië dat het PAH, Platform van slachtoffers van hypotheekkredieten (tegen uithuiszettingen), ontstaat. De woordvoerder van PAH was Ada Colau, de huidige burgemeester van Barcelona. In juni 2011 werd het Catalaans parlement omsingeld door de beweging van Indignados. Het protest tegen de stemming van een nieuwe besparingsbegroting maakte dat Artur Mas enkel met een helikopter naar het parlement kon.

Het besparingsbeleid wordt ook op nationaal vlak doorgevoerd door de PP-regering. De stelling dat de PP een fabriekje voor onafhankelijkheidsgezinden is, werd een populair gezegde. Samen met het harde besparingsbeleid voerde de PP ook een offensief tegen democratische rechten van historische nationaliteiten, zoals Baskenland, Galicië en vooral Catalonië. Er waren permanent provocaties via de media, het leger, de politie en het gerechtelijk stelsel. Het overstijgt het niveau van de anecdotes: de opeenstapeling van provocaties bepaalt mee het politieke klimaat in Catalonië.

Om haar electorale basis te consolideren heeft de PP in het bijzonder ingespeeld op de taalkwestie. Dit heeft geleid tot meer verdeeldheid en spanningen. Zo was een van de centrale doelstellingen van de onderwijshervorming het “verspaansen van de Catalaanse leerlingen.” In 2013 probeerde de PP-regering op de Balearen (een van de autonome regio’s van de Spaanse staat waar Catalaans wordt gesproken) niet alleen om lesuren in het Catalaans af te schaffen, maar werd het anti-Catalanisme ook gebruikt tegen een staking van onbepaalde duur van de leerkrachten in het openbaar onderwijs. Nog op de Balearen kwam er een wet tegen de aanwezigheid van Catalaanse vlaggen aan publieke gebouwen. Boetes voor dergelijke vlaggen kunnen oplopen tot 10.000 euro.

Tijdens de mobilisaties tegen het besparingsbeleid, barstte de nationale kwestie in 2012 uit met een massale betoging op de nationale feestdag van Catalonië. Volgens de politie waren er op die 11de september tussen 1,5 en 2 miljoen betogers. In de peilingen was er toen een opmerkelijke toename van het aantal voorstanders van onafhankelijkheid. Het is pas na deze massale betoging dat de voorloper van de PDeCAT beslist om de eis van onafhankelijkheid op te nemen en om zich aan het hoofd van de beweging te plaatsen. Het was in wezen een vlucht vooruit om het eigen vel te redden op een ogenblik dat het besparingsbeleid de populaire steun sterk had ondermijnd.

De werkenden en jongeren zijn dit besparingsbeleid zeker nog niet vergeten. Catalonië is goed voor ongeveer 20% van het BBP en de export van de Spaanse staat, maar deze rijkdom komt niet iedereen ten goede… Het gemiddeld gezinsinkomen in Catalonië is sinds het begin van de crisis met 20% afgenomen. De werkloosheidsgraad bedraagt 13,7%. Dat is minder dan het Spaanse gemiddelde van 17,2%, maar het blijft heel veel in vergelijking met het Europese gemiddelde. Catalonië is de regio met de hoogste graad van kinderarmoede, het hoogste inschrijvingsgeld voor het hoger onderwijs en het grootste aantal uithuiszettingen wegens wanbetaling van huur of hypotheek.

Enkel massabeweging kan het recht op zelfbeschikking verdedigen

Delen van de werkende bevolking waren terughoudend om aan te sluiten bij de mobilisaties voor het recht op zelfbeschikking omwille van de leidinggevende positie van de PDeCAT daarin. Dit veranderde echter met het referendum van 1 oktober 2017. De spanningen liepen in de dagen ervoor al op. Met de beslissing van het Grondwettelijk Hof en het repressief optreden van de politie en de Guardia Civil (rijkswacht) werd geprobeerd om het referendum volledig te stoppen. Wie zich afvroeg of er sprake is van nationale onderdrukking in Catalonië kreeg er een wel erg concreet voorbeeld van te zien: inbeslagname van propaganda, huiszoekingen in drukkerijen, arrestatie van jongeren die affiches voor een ja-stem ophingen, dreiging van strafrechtelijke sancties tegen een honderdtal burgemeesters, arrestatie van 14 hooggeplaatste verantwoordelijken van de Catalaanse regering, voogdijschap over de financiën van de regionale regering.

Ondanks de dreigementen toonde de bevolking een indrukwekkende moed bij de verdediging van het recht om te stemmen. Er werden Comités voor de Verdediging van het Referendum opgezet om de scholen waar gestemd zou worden te bezetten en te beschermen tegen politie-interventies. Om de inbeslagnames tegen te gaan, verstopten mensen stembussen bij hen thuis. De dokwerkers hielden een algemene personeelsvergadering waarop ze beslisten om de ferry’s met duizenden politieagenten en leden van de Guardia Civil niet te behandelen in de haven van Barcelona. De brandweer kondigde de bevolking te zullen  verdedigen tegen de politierepressie. Landbouwers deden hetzelfde met hun tractoren. Straatverkopers zonder papieren stelden voor om stembiljetten te drukken, als ‘illegalen’ konden ze daar moeilijk voor vervolgd worden.

Op de dag van het referendum waren er uitzonderlijk sterke mobilisaties. Ondanks het brutale politiegeweld hielden de mensen de scholen open, werden stembussen verdedigd en werden aanvallen door de politie afgeblokt waarbij vreedzaam werd geprotesteerd tegen de matrakken. Op 1 oktober werd de echte krachtsverhouding tussen de massabeweging en de repressieve macht van de staat duidelijk. De massabeweging verdedigde het recht om te beslissen op basis van de eigen krachten. Meer dan 2,2 miljoen mensen namen deel aan het referendum, ondanks de aanwezigheid van tienduizenden agenten en rijkswachters. De opkomst lag zelfs hoger dan bij de Europese verkiezingen van 2014! Het aantal stemmen voor een Catalaanse republiek liep op tot 90%. Meer mensen stemden nu voor onafhankelijkheid dan er mensen voor het bestaande Catalaanse autonome statuut stemden in 2006. De legitimiteit van de stemming kan dus moeilijk betwist worden. Wat volgde maakte echter duidelijk dat “democratie” niet werkt als het ingaat tegen wat de heersende klasse wil. In het Griekse referendum in 2015 stemde 61% tegen het besparingsprogramma van de trojka (Europese Commissie, Europese Centrale Bank en Internationaal Monetair Fonds). De Griekse regering legde dit mandaat van de bevolking echter naast zich neer.

Los van de cijfers was het vooral indrukwekkend om te zien hoe de werkenden en jongeren op basis van massamobilisatie in staat waren om hun democratische rechten te verdedigen. Dat is wat we op 1 oktober zagen. Het ging om veel meer dan het recht op zelfbeschikking. Werkenden en jongeren die niet voor onafhankelijkheid zijn of die twijfelden om in actie te gaan, trokken toen op straat om de rechten van de bevolking tegen de repressie te verdedigen. Het ging om een kwalitatieve verandering in de Catalaanse klassenstrijd. Dit werd nog scherper gesteld met de historische algemene staking van 3 oktober. De mogelijkheid om tot een Catalaanse republiek te komen via een revolutionaire massamobilisatie en de beslissende rol van de arbeidersbeweging zorgden voor een algemene paniek bij de PP en de heersende klasse. Het aanvankelijke doel van de PP was een vernedering van Catalonië om een voorbeeld te stellen, net zoals de trojka in 2015 Griekenland wilde afstraffen omdat de bevolking een regering verkoos die beloofde om te breken met het besparingsbeleid.

De terugkeer van de Franquistische erfenis

De PP en de heersende klasse hebben niet lang gewacht met hun antwoord. Enkele dagen na de algemene staking van 3 oktober was er in Barcelona een betoging van extreemrechtse lagen in de bevolking, ondersteund door de PP, Ciudadanos (een rechts-liberale partij) en verschillende fascistische groeperingen. Er waren ongeveer 350.000 aanwezigen, een pak minder dan op 1 en 3 oktober. Bovendien kwamen veel rechtse betogers van buiten Catalonië. De leiders van de PSOE (Spaanse sociaaldemocratie) en de PSC (Catalaanse sociaaldemocratie) namen deel aan deze reactionaire betoging die een uitdrukkelijke steunbetuiging was voor het politiegeweld tegen de democratische en nationale rechten van de Catalaanse bevolking.

Het reactionaire blok van Mariano Rajoy, de PP-premier in de Spaanse staat, gebruikte alle mogelijke middelen om een nooit geziene intimidatiecampagne op te zetten. De Catalaanse burgerij verhoogde de druk met de verhuis van meer dan 2.000 hoofdzetels van bedrijven uit Catalonië. Deze verhuis werd mee mogelijk gemaakt door een vereenvoudiging van de toepasselijke nationale wetgeving. Maar ondanks dit alles slaagde Spaans-nationalistische reactie er niet in om de steun van de meerderheid van de bevolking, laat staan van de werkenden, te krijgen.

De beslissing om leiders van twee onafhankelijkheidsbewegingen, ANC en Omnium, gevangen te zetten wegens hun deelname aan een spontane mobilisatie tegen de repressie nog voor het referendum, was de opstap naar een repressieve escalatie. Deze gevangenzetting is een directe aanval op de vrije meningsuiting, het recht om te betogen en het recht op organisatie. Deze aanval kan hierna gebruikt worden tegen elke vakbondsleider, elke jongerenbeweging of elke sociale beweging tegen de uithuiszettingen of tegen andere vormen van sociale onrechtvaardigheid.

Op 21 oktober besloot Rajoy om zijn ultieme wapen in te zetten: artikel 155 van de Grondwet. In werkelijkheid gaat het om een antidemocratische staatsgreep waarmee de autonomie en de regering van Catalonië aan de kant geschoven worden. Een rechter besliste om acht Catalaanse ministers naar de gevangenis te verwijzen, ook dat was een belangrijke aanval. De strategie van Rajoy geniet de steun van het koningshuis en van Ciudadanos, maar ook van de PSOE-leiders. Kortom van het regime van 1978, het overgangsregime dat na de dictatuur van Franco werd ingesteld. Vandaag proberen ze het conflict te kanaliseren in vervroegde Catalaanse verkiezingen op 21 december. Rajoy hoopt daarmee een democratischer imago te geven aan de repressie. De methoden en het tot hiertoe gebruikte geweld sluiten op directe wijze aan bij het collectieve geheugen over de Franquistische methoden.

Het staat buiten kijf dat er nog heel wat overblijfselen van de dictatuur van Franco bestaan. Na de dood van Franco was er onder miljoenen arbeiders en jongeren een roep naar een socialistisch alternatief en ontstond de mogelijkheid van een revolutionaire strijd voor een samenleving waarin de kapitalistische klasse niet langer nodig was. De Franquistische ministers werden ‘democraten’ en sloten een akkoord met de toenmalige linkse leiders van de PCE (Communistische Partij) en de PSOE. De PCE verried het revolutionair potentieel in ruil voor democratische hervormingen waarbij de burgerij de macht kon behouden. Het ging om een achterkamerakkoord zonder actieve deelname van de massa’s. Het akkoord hield tegelijk in dat de Franquisten geen rekenschap moesten afleggen voor hun rol. De Grondwet van 1978 was de wettelijke uitdrukking van het akkoord.

Die Grondwet erkende democratische vrijheden en rechten die voorheen reeds afgedwongen waren door massamobilisaties.  In ruil voor die rechten kwamen er een ‘parlementaire monarchie’ met een door Franco aangestelde koning en een amnestiewet waardoor de misdaden van het Franquisme onbestraft bleven. Er kwam geen zuivering van het staatsapparaat: zowel in het gerechtelijk apparaat, de politie als het leger bleven de oude Franquisten op post. Het recht op zelfbeschikking van Catalonië, Baskenland en Galicië werd genegeerd. De Grondwet schreef zich in de oude slogan van de dictatuur in: een eengemaakt groot Spanje. Er werden bovendien uitzonderingsmaatregelen voorzien, zoals artikel 155 van de Grondwet, om staatsgeweld mogelijk te maken indien een element van het regime van 1978 in vraag gesteld wordt.

De rol van marxisten in de nationale kwestie

Het akkoord van 1978 kreeg het al zwaar te verduren door de beweging van Indignado’s in 2011. Dat was een brede beweging die de autoriteit van de politieke vertegenwoordigers en hun instellingen betwistte. Van bij het ontstaan van Podemos in 2014 pleitte deze nieuwe politieke formatie doorgaans voor een breuk met het regime van 1978. Dit zorgde voor heel wat enthousiasme bij de parlementsverkiezingen. Voor het eerst verdedigde een linkse partij het recht op zelfbeschikking in het verkiezingsprogramma. Bij de nationale parlementsverkiezingen was Podemos de grootste partij in zowel Catalonië als Baskenland. Nu wordt dit punt uit het partijprogramma met de praktijk geconfronteerd.

Podemos verdedigde de organisatie van een wettelijk referendum, wat betekent dat er een Spaanse regering, met Podemos, moet komen die de Grondwet verandert zodat een referendum met garanties mogelijk wordt. Voor Podemos is het dus aan de Spanjaarden om te beslissen of de Catalanen al dan niet het recht op zelfbeschikking hebben. Podemos koos er dus niet voor om zich op de massabeweging te beroepen om het recht op te eisen. In de praktijk zet Podemos het toepassen van artikel 155 op gelijke voet met de onafhankelijkheidsverklaring van de Catalaanse republiek. Jammer genoeg zal een dergelijke benadering de chauvinistische Spaanse campagne niet afremmen. Het laat ruimte voor een injectie van haat en verdeeldheid. Binnen Podemos is er heel wat onenigheid over deze kwestie. In Catalonië was er al een afsplitsing rond de vroegere algemeen-secretaris Albano Dante Fachin, die een correcter standpunt inneemt en een reëel recht op zelfbeschikking verdedigt.

Een van de weinige linkse organisaties die concrete initiatieven nam om de beweging te organiseren, was de CUP (Candidatura d’Unitat Popular). Leden van die partij speelden een belangrijke rol in de Comités ter Verdediging van het Referendum, nadien omgevormd tot Comités ter Verdediging van de Republiek. Ze waren ook betrokken bij de organisatie van de staking van 8 november voor de vrijlating van politieke gevangenen en tegen artikel 155. Wij denken echter dat de CUP een fout maakt door de nationale kwestie voorrang te geven op de sociale kwestie. Dit leidt tot gevaarlijke situaties. Zo heeft de CUP in het verleden in naam van de onafhankelijkheid steun gegeven aan de rechtse PDeCAT en aan besparingsbegrotingen van Puigdemont. Toen Puigdemont op een meeting in Brussel zijn vrienden van de N-VA bedankte, ondermijnde hij overigens de mogelijke solidariteit van werkenden in België met de beweging in Catalonië.

De verdediging van de Catalaanse republiek vereist de opbouw van eigen beslissingsorganen, naar het voorbeeld van de Comités ter Verdediging van de Republiek. Om daar zoveel mogelijk werkenden en jongeren bij te betrekken, moet een sociale inhoud aan de republiek gegeven worden. De Catalaanse republiek moet synoniem staan voor een verbetering van de levensvoorwaarden van de meerderheid van de bevolking door de uithuiszettingen te stoppen en massaal te investeren in kwaliteitsvolle en betaalbare huisvesting, openbare diensten, degelijke jobs voor iedereen, …

De zusterorganisatie van LSP in Catalonië (Esquerra Revolucionaria) en de Spaanse staat (Izquierda Revolucionaria) verdedigt terecht het recht van de Catalaanse bevolking om over haar eigen toekomst te beslissen. Onze zusterorganisatie pleit voor een socialistische Catalaanse republiek die de dreiging van vertrekkende bedrijven beantwoordt met de nationalisatie van de banken en de sleutelsectoren van de economie onder democratische controle van de gemeenschap. Met de jongerenorganisatie Sindicat d’Estudiants werd actief gebouwd aan de beweging met acties en voorstellen om vooruit te gaan en isolement te vermijden.

Brede lagen van de bevolking zijn bereid om op straat te komen. Dat zagen we nog met de betoging van 11 november waarop meer dan een miljoen mensen aanwezig waren. Esquerra Revolucionaria roept de linkse organisaties, zoals CUP, Podem, Catalunya en Comú en Som Alternativa (het initiatief van Fachin) op om een eenheidsfront te vormen gebaseerd op de Comités ter Verdediging van de Republiek en om samen een actieplan op te stellen voor een aangehouden massamobilisatie. Actieve mobilisatie is het beste antwoord op het reactionaire blok tijdens de verkiezingen van 21 december.

Marxisten staan niet onverschillig tegenover nationale onderdrukking. We verdedigen het recht op zelfbeschikking, tot en met het recht op onafhankelijkheid. Het opzetten van nieuwe kapitalistische staten – met een eigen politie, leger, burgerij en meer grenzen – is echter geen oplossing voor de problemen van de werkenden en jongeren. Ons programma is dan ook dat van een socialistische Catalaanse republiek en een vrijwillige confederatie van socialistische republieken van volkeren en naties die vandaag de Spaanse staat vormen.