Text Size

Sociale Top van de EU in Göteborg: veel geblaat, weinig wol

“Vandaag onderschrijven we een reeks van 20 beginselen en rechten. Van het recht op een billijk loon tot het recht op gezondheidszorg; van een leven lang leren, een beter evenwicht tussen werk en privéleven en gelijkheid van mannen en vrouwen tot een minimuminkomen: met de Europese pijler van sociale rechten verdedigt de EU de rechten van haar burgers in een snel veranderende wereld.” Dat zei Europees Commissievoorzitter Jean Claude Juncker na de proclamatie van de Europese pijler van sociale rechten op de “Sociale Top voor Eerlijke Werkgelegenheid en Groei” in Göteborg op 17 november.

 

Door Tanja (Gent)

Om mogelijke scepsis van werkgevers meteen weg te nemen, stelde de Zweedse sociaaldemocratische premier Stefan Löfven dat er sprake is van een “win, win, win”-situatie. Iedereen wint – dat klinkt uitstekend, maar gezien de ervaring van de afgelopen jaren toch wat wereldvreemd.

EU heeft positieve publiciteit nodig

In mei 2019 vinden de volgende Europese verkiezingen plaats en het leidt geen twijfel dat de zogenaamde “pro-Europese” partijfamilies, in het bijzonder de Europese sociaal- en christendemocraten, op zoek zijn naar een reddingslijn voor de gestrande en uit elkaar vallende Europese boot.

Ze hebben begrepen dat de groeiende scepsis over de EU in direct verband staat met het wel erg eenzijdige antwoord van de EU op de economische crisis van de voorbije tien jaar: een geïnstitutionaliseerd besparingsbeleid waarbij honderdduizenden Europeanen in sociale ellende terechtkwamen en minstens een volledige generatie in Zuid-Europa veroordeeld werd tot langdurige werkloosheid of in het beste geval erg onzekere jobs.

De meerderheden in de EU komen niet uit de lucht gevallen. Ze worden vooral opgemaakt door de twee grote politieke families. Die worden dan ook sterk afgestraft door de kiezers. Vooral de sociaaldemocratie wordt hard geraakt. Er is immers een grote kloof tussen de “verantwoordelijke Realpolitik” enerzijds en de “traditionele sociale retoriek” anderzijds. In een aantal landen werd de sociaaldemocratie van de kaart geveegd. In Griekenland en Ierland dreigt de traditionele sociaaldemocratie uit het parlement te verdwijnen. Maar ook in landen die niet tot de periferie van de EU behoren, zette de sociaaldemocratie zijn slechtste verkiezingsresultaten in de na-oorlogse periode neer. Dat is het geval in Nederland, Frankrijk en Duitsland.

De sociale pijler moet de EU een “sociale AAA status” geven, aldus de Europese leiders. De terminologie komt direct uit het vocabulaire van de ratingbureaus die de kredietwaardigheid van landen rangschikken van uitstekend (AAA) tot slecht. Met die rangschikking van kredietwaardigheid wordt direct bijgedragen aan de dictatuur van het bezuinigingsbeleid. Door te spreken van een “sociale AAA status” moet een tegenwicht geboden worden aan de brutaliteit van de ratingbureaus. Dit moet meteen ook de legitimiteit van de EU herstellen onder de burgers.

Te weinig, te laat

De 20 principes worden in drie hoofdstukken gegoten: “gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt”, “billijke arbeidsvoorwaarden”, “sociale bescherming en inclusie.” Enkele opmerkelijke elementen.

Het tweede principe over gelijke kansen stelt: “Het beginsel van gelijke behandeling en gelijke kansen voor vrouwen en mannen moet worden gewaarborgd en bevorderd op alle vlakken, waaronder dat van de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling. Vrouwen en mannen hebben recht op gelijke beloning voor gelijkwaardige arbeid.”

Het tweede onderdeel van het zesde principe over “billijke arbeidsvoorwaarden” klinkt als volgt: “Er wordt gezorgd voor toereikende minimumlonen, die voorzien in de behoeften van de werknemer en zijn of haar gezin in het licht van de nationale economische en sociale omstandigheden, maar waarbij tegelijkertijd de toegang tot werk en de prikkel om werk te zoeken worden gewaarborgd. Armoede onder werkenden wordt voorkomen.”

Ook het 14de principe over het “minimale inkomen” volgt dezelfde logica: “Iedereen die over onvoldoende middelen beschikt, heeft het recht op adequate voorzieningen voor een minimuminkomen om in alle levensfasen een waardig leven te kunnen leiden, en op praktische toegang tot goederen en diensten die de zelfredzaamheid van mensen bevorderen. Voor mensen die tot werken in staat zijn, moeten de voorzieningen voor een minimuminkomen worden gecombineerd met prikkels om (weer) actief te worden op de arbeidsmarkt.”

Wat “adequaat” concreet betekent tegen een achtergrond van stijgende kosten voor huisvesting en levensonderhoud, wordt niet duidelijk gemaakt.

De volledige tekst van de “Europese sociale pijler” kan je hier nalezen: https://ec.europa.eu/commission/priorities/deeper-and-fairer-economic-and-monetary-union/european-pillar-social-rights/european-pillar-social-rights-20-principles_nl

De beginselen die voorgesteld worden, zijn slechts goed klinkende intentieverklaringen. Zo bestaan er heel veel in de EU. Dat het slechts om intentieverklaringen gaat, wordt duidelijk in de preambule. Daarin wordt ook het fundamenteel dilemma van de EU bevestigd. Zo staat er onder meer: “De Europese sociale pijler moet dienen als gids voor een efficiënt werkgelegenheidsbeleid en een sociaal resultaat wanneer ingespeeld wordt op de huidige en toekomstige uitdagingen gericht op het realiseren van de essentiële noden van de mensen. De sociale pijler moet als richtsnoer bijdragen aan een betere toekenning en toepassing van sociale rechten.”

En nog: “De Europese sociale pijler moet zowel op niveau van de Unie als op niveau van de lidstaat toegepast worden, rekening houdend met verschillende sociaaleconomische omgevingen en de diversiteit van nationale stelsels, waaronder de rol van sociale partners, en in overeenstemming met de principes van subsidiariteit en proportionaliteit.”

Anders gezegd – vertaald uit het EU-jargon: de grondbeginselen zijn niet bindend omdat ze onder de bevoegdheid van de nationale staten vallen. Die lidstaten kunnen de principes en beginselen toepassen naargelang het hen uitkomt. Dat werd sterk benadrukt door de Duitse regering. De Europese sociale pijler brengt ons dus geen stap dichter bij het intrekken van asociale maatregelen.

Het is geen toeval dat alle maatregelen die rond de economische crisis genomen werden in het kader van “Economic Governance”, met de hervorming van het “Stabiliteits- en Groeipact” en met de fiscale verdragen van de EU wel allemaal bijzonder bindend waren en verregaande inperkingen vormden van de begrotingsautonomie van de lidstaten. Er kwamen zelfs mogelijkheden van sancties en boetes. Maar voor het toepassen van sociale maatregelen wordt alles overgelaten aan het goeddunken van de lidstaten.

De EU is in de allereerste plaats een unie in het belang van het kapitaal. Concurrentie tussen werkenden en winstmaximalisatie voor de grote bedrijven blijven de hoekstenen van de EU.

Er is bij de verschillende pro-kapitalistische nationale regeringen in de EU dan ook geen interesse in iets als een Europees minimumloon voor alle werkenden of om gelijke lonen op te leggen voor “gedetacheerde” werknemers die in een andere lidstaat werken. De tegenstrijdigheden in de EU worden hier duidelijk.

Op basis van de ervaringen van de afgelopen jaren zullen de meeste mensen in de EU geen illusies hebben in de Europese pijler van sociale rechten. Om ervoor te zorgen dat de kritiek zich bij de komende verkiezingen niet in de eerste plaats uit in een groei voor extreemrechts en rechtse populistische partijen, moet de linkerzijde in Europa dringend een internationalistische kritiek op de EU naar voor brengen, waarbij het kapitalistische fundament van de EU in vraag wordt betwist en een internationaal, solidair en socialistisch alternatief wordt bepleit.